Ons telefoon: (070) 38 62 535 Ons e-mailadres: info@care4neo.nl

Problemen

Problemen

Motorische beperkingen

Spasticiteit (cerebrale parese)

Prematuur geboren kinderen hebben een verhoogde kans op aandoeningen als cerebrale parese, doordat ze nog zo onrijp zijn bij de geboorte. Dat kan de oorzaak zijn van een hersenbeschadiging een hersenbloeding of een zuurstoftekort. Overigens kan een kind kan ook op andere manieren spasme oplopen, een op tijd geboren kind kan bijv zuurstofgebrek hebben gehad bij de geboorte.

Spasticiteit is een verhoogde spanning van de spieren, een soort voortdurende kramp. Oorzaak is een beschadiging in de hersenen of in het zenuwstelsel, zodat niet de juiste signalen kunnen worden doorgegeven aan de spieren. Bewegen verloopt dan moeizaam. Spasme kan ernstig en minder ernstig zijn.

Spastische baby’s voelen stijf aan, ze ‘voegen zich niet’. Later kunnen ze niet of moeizaam leren lopen en zullen ze dagelijkse bewegingen, zoals eten of aankleden, ook moeilijk of helemaal niet zelf kunnen.
Al op heel jonge leeftijd is het bewegingspatroon van ernstig spastische kinderen anders dan normaal, bijvoorbeeld een kind beweegt asymetrisch of kan het hoofdje niet goed optillen van de ondergrond. Vaak krijgt een kind dan fysiotherapie, en is het de fysiotherapeut die alarm slaat. De diagnose wordt daardoor vroeg gesteld. Dan kan ook al vroeg worden vastgesteld welke hulp een kind en zijn ouders nodig hebben.
In minder ernstige gevallen kan het moeilijker zijn om al vroeg de juiste diagnose te stellen, met name als de baby ook nog andere problemen heeft, zoals longproblemen.

Onhandigheid

Van alle POPS-kinderen is vijf procent zo spastisch dat er ernstige beperkingen zijn. Maar meestal zijn de afwijkingen veel minder groot. Soms wordt er lichte spasticiteit geconstateerd maar kinderen kunnen ook een wat onhandig bewegingspatroon hebben. Ook baby’s met deze kenmerken voelen in het begin stijf aan. De kinderarts kijkt daarom in die periode steeds of een kind links en rechts even goed (symmetrisch) beweegt: kan het kind gericht bewegen en hoe zijn de reflexen? Maar zelfs als er goed wordt opgelet, kan het een aantal maanden duren voor men met zekerheid kan zeggen dat er niets aan de hand is.

Afname motorische handicaps

De laatste jaren is het aantal kinderen dat een motorische handicap overhoudt aan de couveuseperiode afneemt. Onderzoekers van het UMC Utrecht concluderen dat na analyse van de uitkomsten van ruim premature 3000 geboortes tussen 1990 en 2005. Volgens de artsen is het een teken dat de perinatale en neonatale zorg is verbeterd (Journal of Pediatrics 3 maart 2011).

In die periode daalde het aantal kinderen dat cerebrale parese (spasticiteit) ontwikkelde van 6,5 naar 2,2 procent. Bovendien verminderde de ernst van de spasticiteit bij de kinderen die nog wel een cerebrale parese ontwikkelden dankzij verbeterde perinatale zorg. Cerebrale parese werd minder vaak gezien bij het gebruik van antibiotica door de moeder vóór de geboorte, bij een geboorte via een keizersnede, en bij een langere zwangerschapsduur.

Het goede nieuws is niet alleen dat er minder kinderen zijn die spastisch worden, maar de ernst ervan neemt ook af. Veel spastische kinderen kwamen twintig jaar geleden nog in een rolstoel terecht, bleven in hun verstandelijke ontwikkeling achter en waren daardoor van speciaal onderwijs afhankelijk. Tegenwoordig kunnen de meeste kinderen met een motorische handicap zelfstandig lopen en deelnemen aan het reguliere onderwijs.

De afname van cerebrale parese bij te vroeg geboren kinderen is een belangrijke aspect van de kwaliteit van de perinatale zorg. Deze afname laat zien dat de perinatale zorg de afgelopen vijftien jaar is verbeterd. Volgens hoogleraar neonatale neurologie prof. dr. Linda de Vries van het UMC Utrecht doet Nederland het met ruim 2 procent goed ten opzichte van bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Daar ontwikkelt zo’n 7 tot 10 procent van de te vroeg geboren kinderen cerebrale parese.

Bron: o.a. Proefschrift Inge-Lot van Haastert (2011), UMC

Zintuiglijke problemen

Als gevolg van alles wat er gebeurd is in de couveuseperiode, kan een kind slechtziend of zelfs blind zijn. Ook kunnen er problemen zijn met het gehoor. Omdat dit goed gevolgd wordt, is vaak al vrij snel duidelijk dat deze problemen er zijn. Natuurlijk geven deze beperkingen ook problemen op school. Gelukkig is er voor deze kinderen wel veel begeleiding. Voor kinderen met een visuele beperking zal dit vanuit instellingen als Visio en Bartimeus geregeld worden.

Problemen met het gehoor worden tegenwoordig al vroeg ontdekt, meestal al in de ziekenhuisperiode. Ouders van kinderen met auditieve problemen kunnen terecht bij de NSDSK. Meestal worden de contacten al in de ziekenhuisperiode gelegd.

Leerproblemen

Veel couveusekinderen zijn kwetsbaar wat betreft de leerprocessen op de schoolleeftijd. Vaak vallen de eerste levensjaren mee, maar het neurologisch systeem ontwikkelt zich verder. Op de schoolleeftijd, bij het leren, worden er meer specialistische, gedifferentieerde eisen gesteld aan de hersenfuncties en dan merk je dat het leerproces wel kan haperen. Dat wil zeggen dat het lezen, spellen en vaak ook het rekenen wel komt, maar niet in het tempo dat ‘normaal’ is in het reguliere basisonderwijs.

Couveusekinderen hebben, vaak meer last van leerproblemen. Je kunt hier spreken van een ontwikkelingsachterstand, maar helaas niet in de zin van dat het ‘over’ gaat. Het leren lezen en spellen gaat niet altijd vanzelf. Het kan extra inspanning en oefening kosten, dus het leertempo is en blijft minder snel verlopen. Het leren van een tweede taal is in zulke omstandigheden een extra belasting, maar de positieve kant is dat het een extra uitdaging kan zijn.

Leermoeilijkheden en leerstoornissen

Leerproblemen is de verzamelnaam voor leermoeilijkheden en leerstoornissen, waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen deze twee. Een kind heeft leermoeilijkheden als het moeilijk mee kan op school. Er kan hiervoor een aanwijsbare oorzaak gevonden worden. De oorzaak kan in het kind zelf gelegen zijn:

  • het kind kan een zwakke verstandelijke aanleg hebben waardoor het over het algemeen moeilijk mee kan op school;
  • het kind ziet of hoort slecht waardoor het leren belemmerd wordt;
  • het kind heeft een neuromotorische stoornis waardoor het moeilijk mee kan op school;
  • het kind kan emotionele – of gedragsproblemen hebben waardoor het ook problemen kan hebben met leren.

De oorzaak kan ook in de omgeving liggen, bijvoorbeeld:

  • in de opvoedingomstandigheden;
  • gebrekkig onderwijs, inadequate didactische methoden;
  • veelvuldig ziekteverzuim;
  • veel veranderingen van school;
  • onderwijs in een andere taal dan de moedertaal.

Een leerling met een leerstoornis is een leerling die moeilijkheden heeft met één of meerdere schoolse vakken, maar waarbij andere gebieden van de ontwikkeling niet verstoord zijn. De oorzakelijke verbanden zijn niet direct aanwijsbaar. Leerstoornissen zijn problemen, die het leren van specifieke vaardigheden zoals lezen, spellen en rekenen belemmeren, maar weinig of geen invloed uitoefenen op het leren in ruimere zin (zoals dyslexie of dyscalculie maar ook extreme traagheid).

Voor een aantal leerlingen met leerproblemen zullen testen en eventueel diagnosticeren nodig zijn om te kunnen komen tot een adequaat plan van aanpak. In het onderwijs wordt onderscheid gemaakt tussen didactisch onderzoek en psychologisch onderzoek. Soms is er van tevoren al een vermoeden welk leerprobleem een kind heeft. De psycholoog voert dan naast intelligentie- en persoonlijkheidstesten ook nog aanvullend didactisch onderzoek uit. Dit is bijvoorbeeld het geval met onderzoek naar dyslexie.

Adviezen

  1. Het is goed de lees- en schrijfproblemen snel te signaleren en extra ondersteuning te bieden in de vorm van Remedial Teaching of bijles. Veel oefenen en uitzoeken op welke manier het lezen en spellen verbeterd kan worden, is aan te raden.
  2. Vooral goed oog hebben voor de relatief sterke kanten van het kind. Deze benutten om hem te helpen en te steunen in het ontwikkelen van een positief zelfbeeld zodat hij/zij niet steeds denkt: “Ik kan toch niet goed leren”. Dit helpt een beetje vechtlust te ontwikkelen die deze kinderen altijd nodig zullen hebben om verder te leren.
  3. Als ouder ben je altijd heel belangrijk om te steunen in het overwinnen van de tegenslagen. Vooral door te complimenteren als het kind vorderingen maakt.
  4. Begrip tonen bij tegenslag, maar oppassen te beschermend te zijn.

Bron: o.a. Elske Sigmond, orthopedagoog faculteit Sociale Wetenschappen, Leiden

Dyslexie

Vijf tot tien procent van de bevolking heeft in meer of mindere mate last van dyslexie, dat letterlijk ‘slecht in taal’ betekent. Mensen met dyslexie hebben moeite met lezen en spellen. Volgens de Commissie Dyslexie van de Gezondheidsraad is dyslexie aan de volgende kenmerken te herkennen:

  • ernstige lees- en of spellingsachterstand; de prestaties vallen ruim onder de norm;
  • extra hulp van een leerkracht heeft weinig resultaat;
  • het lezen gaat zeer traag en/of onnauwkeurig en snel, de directe woordherkenning en het spellen zijn onvoldoende geautomatiseerd.

Het is niet bekend of bij prematuur geboren kinderen vaker dyslexie voorkomt dan bij op tijd geboren kinderen. Omdat leerproblemen in het algemeen meer voorkomen bij prematuren, zullen ze ook minder gauw aan de standaardnormen voor lezen en spellen voldoen. Maar dat wil niet zeggen dat ze dyslectisch zijn. Ze kunnen ook gewoon traag of minder intelligent zijn.

Sinds 1 januari 2009 is de vergoeding van diagnostiek en behandeling van ernstige, enkelvoudige dyslexie in het basispakket van de zorgverzekering opgenomen. Het woord ‘enkelvoudig’ wil zeggen dat er géén sprake mag zijn van bijkomende stoornissen zoals bijvoorbeeld AD(H)D.

Meer over dyslexie op de website van Zorgwijzer.

Verstandelijke beperking

Bekend is dat het gemiddelde IQ van een prematuur lager is dan van een op tijd geboren kind. Daarbij moet worden aangetekend, dat het ‘meten van het IQ middels een test’ ook aanvechtbaar is, want wàt moet daar precies bij gemeten worden? Bovendien zegt het IQ niet alles over een verstandelijke beperking. Vaak zijn er ook beperkingen op praktisch of sociaal gebied. Ook zie je wel dat een verstandelijke beperking samengaat met andere problematiek, zoals bepaalde vormen van autisme (die je ook weer vaker ziet bij prematuur geboren kinderen dan in de rest van de bevolking). Ook psychische problemen, ADHD, angsten of depressie, kunnen een rol spelen of zelfs op de voorgrond treden. Toch zijn er wel een aantal aanknopingspunten.

Tegenwoordig kan een kind met een verstandelijke beperking vaak op een gewone school terecht. De school is zelfs verplicht aan ieder kind goed en passend onderwijs te bieden, maar het is wel extra verstandig de school met zorg uit te kiezen. Vaak is het mogelijk om hulp of extra begeleiding te organiseren, bijvoorbeeld via AWBZ-zorg op school. Toch gaan ook veel kinderen met een verstandelijke beperking naar het speciaal onderwijs.

Als je kind een verstandelijke beperking heeft, of er wordt een verstandelijke beperking vermoed, kun je terecht bij MEE.

Gedragsproblemen

Het is lastig een definitie te geven van wat er onder gedragsproblemen wordt verstaan. Gedragsproblemen zijn vaak aanpassingsproblemen: een kind dat zich anders gedraagt dan andere kinderen, bijvoorbeeld extreem boos wordt als iets niet lukt of als hij iets dat hij graag wil niet voor elkaar krijgt. Vaak gaat het om dingen als: driftig worden, pesten, je niet aan de regels houden, spijbelen, geen huiswerk maken, geen (echte) vrienden hebben. Kinderen die zich niet kunnen inleven in anderen, of zich er niets van aantrekken. Kortom: gedrag waar anderen (leerlingen, leerkrachten maar ook ouders, broertjes en zusjes, last van hebben.

De andere kant wordt vaak vergeten, maar ook een kind dat zich terugtrekt, zich nergens over opwindt, slachtoffer is van pesten, altijd braaf doet wat er gezegd wordt , kortom: kinderen die nooit over grenzen heen gaan – zo’n kind kan net zo goed een gedragsprobleem hebben. Vaak wordt dit niet opgemerkt, een dergelijk kind wordt immers niet als ‘lastig’ ervaren?

Er kan ook sprake zijn van een gedragsstoornis. Je spreekt van een stoornis als het probleem niet te verhelpen is en de persoon ermee moet leren omgaan. Een stoornis zit echt in het lichaam en is met de geboorte in de genen meegegeven, of kan ontstaan zijn doordat er bijvoorbeeld in ontwikkeling van de hersenen/het zenuwgestel wat mis is gegaan bijvoorbeeld in de couveusetijd . ADHD, ADD en ODD (opstandig gedrag) en CD (asociaal gedrag) zijn voorbeelden van stoornissen.

Onduidelijkheden

Er is wel iets met mijn kind, maar wat? Aan de ene kant is het fijn dat de medische wetenschap geen stempeltje op je kind kan zetten. Aan de andere kant is het lastig. Het heeft geen naam. En: het is ook heel lastig om hulp voor je kind te krijgen als er geen duidelijke diagnose is.

Soms is het ook een kwestie van een beetje van dit en een beetje van dat. Een kind dat klein is, snel angstig, verlegen en onhandig. Of een kind dat snel boos is, zich met moeite kan concentreren en zich houterig, stijf beweegt. Een kind dat stottert, verstandelijk wat problemen heeft en autistische trekken vertoont – maar niet genoeg om die diagnose te stellen. Een kind dat traag leert en onhandig is in zijn sociale contacten… Het zijn maar een paar voorbeelden.

Zelf ken je de gebruiksaanwijzing van je kind vaak wel, je bent met hem opgegroeid en kent zijn eigenaardigheden. Maar voor een leerkracht (of bijvoorbeeld de groepsleider bij een sportclub) is dat een stuk moeilijker. Bovendien is jouw kind niet het enige kind met een gebruiksaanwijzing in de groep of in de klas!

Wat te doen? Toch maar weer met die leerkracht (of groepsleider enz) gaan praten, met geduld en begrip voor zijn/haar situatie uitleggen dat je kind anders is. Vooral goed oog hebben voor de relatief sterke kanten van het kind, vertel die ook aan de leerkracht. Deze kun je benutten om hem te helpen en te steunen in het ontwikkelen van een positief zelfbeeld zodat hij/zij niet steeds denkt: “Ik kan toch niet goed leren”. Dit helpt een beetje vechtlust te ontwikkelen die deze kinderen altijd nodig zullen hebben om verder te leren.

Als ouder ben je altijd heel belangrijk om te steunen in het overwinnen van de tegenslagen. Complimenten maken als het kind iets goed doet, en negatieve dingen liever negeren. Begrip tonen bij tegenslag, maar oppassen te beschermend te zijn.

Het zijn maar kleine dingen en ze zullen zeker niet alles oplossen, maar ze dragen er wel aan bij dat je kind beter in zijn vel komt te zitten en niet de moed verliest. En dat zorgt ook weer dat jij, als vader/moeder ook verder kunt.

Sluiten