Ons telefoon: (070) 38 62 535 Ons e-mailadres: info@care4neo.nl

Schooltijd

Schooltijd

Leerplicht

Ook voor een ex-couveusekind geldt dat de eerste schooldag aanbreekt zodra hij of zij vier jaar is geworden. Op school gelden andere regels dan thuis; er worden meer en nieuwe eisen aan je kind gesteld, door mensen die je kind minder goed kennen dan jijzelf. Daardoor kan het gebeuren dat je kind (opnieuw) moeilijkheden ondervindt en dat er beperkingen zichtbaar worden.

Bij veel ex-couveusekinderen zien we een ontwikkeling die niet helemaal hetzelfde verloopt als bij leeftijdsgenootjes. Soms worden deze moeilijkheden pas zichtbaar wanneer het kind naar school gaat.

Leerplicht en aanmelding

In Nederland gaan de meeste kinderen een dag na hun vierde verjaardag naar de basisschool. In de periode daarvoor moet je alvast nadenken over de schoolkeuze en informeren hoe lang van tevoren je kind uiterlijk ingeschreven moet worden. Houdt er ook rekening mee dat op sommige scholen de nieuwe kinderen de eerste paar weken of maanden soms kortere dagen hebben dan de andere kinderen.

Vanaf de leeftijd van vijf jaar gaat de leerplicht in en is je kind verplicht om naar school te gaan. De periode op de basisschool duurt meestal 8 jaar (groep 1 t/m 8). Leerlingen die er door bijzondere omstandigheden  langer over doen, mogen uiterlijk tot in het jaar waarin zij 14 jaar worden op de basisschool blijven.

Er zijn openbare scholen en bijzondere scholen. Openbare scholen zijn voor iedereen toegankelijk, ongeacht godsdienst of levensovertuiging. Bijzondere scholen hebben meestal een levensbeschouwelijke of godsdienstige achtergrond. Deze scholen mogen leerlingen met een andere achtergrond in principe weigeren.

Dan zijn er nog ‘algemeen bijzondere scholen‘: dat zijn scholen die een specifieke onderwijskundige methode hanteren. Voorbeelden hiervan zijn het Daltononderwijs, het Freinetonderwijs, Iederwijsscholen, Jenaplanscholen, het Montessori-onderwijs, Vrije school, en de Brede school.

Daarnaast is er nog speciaal onderwijs, bestemd voor kinderen met een handicap of aandoening. In principe wordt geprobeerd ook deze kinderen een passende plek aan te bieden binnen het standaard onderwijs. Doel is elk kind een plek te gunnen op een school in de buurt, waarbij moet worden overlegd welke extra hulp je kind (mogelijk) nodig heeft.

Bron: rijksoverheid.nl.

Extra vrije uren voor 5-jarigen

Vanaf de 5e verjaardag is je kind leerplichtig en moet hij de hele week naar school. Voor sommige ex-couveusekinderen zijn de lange schooldagen erg vermoeiend. Binnen de leerplichtwet is er een bijzondere regeling voor 5-jarigen. Zolang je kind nog geen 6 jaar is mag je hem 5 uur per week thuis houden. Hier is geen speciale toestemming voor nodig, maar je moet het wel melden bij de schooldirecteur.

De vrijstelling kan eventueel uitgebreid worden naar maximaal 10 uur per week, maar dan is er wel speciale toestemming voor nodig van de schooldirecteur. Deze regeling is er alleen om overbelasting van je kind te voorkomen. Zodra je kind 6 jaar is geldt deze vrijstellingsmogelijkheid niet meer.

Oefendagen

Zodra je kind 3 jaar en 10 maanden is mag hij al op de basisschool komen kennismaken om te wennen aan de school. Dit mag maximaal vijf dagen per jaar. De school kan dit verdelen over 10 dagdelen, maar er ook voor kiezen om de wenperiode korter te laten duren. Oefendagen mogen alleen in overleg met de school en basisscholen zijn niet verplicht om een kennismakingsperiode aan te bieden: soms is het gewoon niet goed in te passen.

Elke openbare basisschool is in principe verplicht om je kind toe te laten als hij 4 jaar is. Eén belangrijke voorwaarde is wel dat je kind zindelijk is – en dat kan juist bij ex-couveusekinderen nog wel eens lastig zijn. Het kan een oplossing zijn als je zelf in de gelegenheid bent om je kind op school naar het toilet te helpen en langs te komen om hem te verschonen indien nodig (of als er iemand in de buurt is die bereid is je kind even te helpen indien nodig).

Een basisschool kan elke maand nieuwe leerlingen aannemen. Er zijn ook basisscholen waar nieuwe leerlingen direct na hun vierde verjaardag kunnen instromen.

Vertellen op school?

Wil je school inlichten over de couveusetijd?

Bij veel ouders speelt de vraag of het verstandig is om aan de leiding van de school (of van een sportvereniging) te vertellen dat je kind een minder goede start heeft gehad. Een terechte twijfel. Wat zijn de gevolgen? Krijgt je kind dan meteen een etiket opgeplakt? Wordt er dan niet te veel op hem/haar gelet en wordt er niet te veel toegeschreven aan dit feit, zonder dat gekeken wordt of er iets anders aan de hand is? Of vertel je het toch niet en zie je wel waar het schip strandt?

Ouders willen dat hun kind een ongecompliceerde start krijgt in een nieuwe omgeving, zoals elk ander kind. Dat er niet speciaal op je kind wordt gelet door de leerkracht als het niet nodig is. Dat er niet vanaf de eerste schooldag een stempel op je kind wordt gedrukt. Dat stempel heeft je kind eigenlijk al doordat je als ouders extra op ze let: kan je kind wel goed meekomen of zie je toch een achterstand vergeleken met op tijd geboren kinderen?

Dan zijn er de controles bij de kinderarts, consultatiebureau, follow-up onderzoek en vaak ook (fysio-)therapie. Verschillende artsen die elk een mening hebben over de ontwikkeling van je kind. Moet er op school nog een mening bijkomen? Moeten er nog meer mensen op je kind gaan letten? En niet te vergeten… wanneer je het eenmaal hebt verteld, is er geen weg terug!

Maar aan de andere kant is het wel een verklaring wanneer je kind zich anders gedraagt of minder goed kan meekomen dan de andere kinderen. Dan kan de leerkracht daar alerter op zijn als het leren of het gedrag niet verloopt zoals verwacht. Ook kan de school onze website raadplegen om zich op de hoogte te stellen. Een risico is dat ze te dicht op het kind gaan zitten en het te weinig ruimte bieden om ‘gewoon’ fouten te kunnen maken. Maar dit wetende, kan je het in de gaten houden.

Waar kunnen leerkrachten rekening mee houden?

Meestal willen leerkrachten graag op de hoogte zijn van de achtergrond van het kind omdat ze denken dat ze er dan rekening mee kunnen houden. Maar de vraag is of de leerkracht wel weet waarmee rekening moet worden gehouden. Want hoe weet hij wat er aan de hand kan zijn en hoe hij daarop moet inspelen? Heeft het kind extra aandacht nodig of is het beter om juist afwachtend te zijn? Deze wetenschap over de achtergrond van je kind is ook een extra zorg voor de leerkracht. Maar toch is het niet goed om te dicht op het kind te gaan zitten. Als men te dicht op een kind zit, heeft hij/zij simpelweg geen ruimte om zich te ontwikkelen.

Ouders en leerkrachten zouden constructief moeten samenwerken om zo te komen tot een betere afstemming op de onderwijsbehoeften van het kind. Je zou kunnen zeggen dat het achterhouden van informatie door de ouders niet in het belang is van het kind, omdat leerkrachten dan niet in staat zijn om op een juiste manier om te gaan met dit kind.

Belangrijk is een professionele houding van de leerkracht, die in veel gevallen te maken heeft met overbezorgde/overbeschermende ouders. Het is zijn taak die bezorgdheid te begrijpen, mee te denken en een realistisch beeld te geven van de mogelijkheden en beperkingen van het kind.

Ouders (en kind) zijn natuurlijk altijd in eerste instantie afhankelijk van de individuele leerkracht. Maar een school zou er voor moeten zorgen dat leerkrachten in staat zijn hier professioneel mee om te gaan.

Langer kleuteren

Bij veel couveusekinderen waarbij het in eerste instantie lijkt dat ze die periode redelijk goed doorgekomen zijn, kunnen op de basisschool toch nog problemen aan het licht komen. Problemen die niet vanzelf oplossen, er moet iets ondernomen worden om te voorkomen dat ze te groot worden.

Veel van deze kinderen krijgen het advies een jaartje extra te kleuteren in de hoop dat de tijd de problemen oplost. In dat extra jaar krijgen de kinderen geen speciale begeleiding, waardoor het geen oplossing is. Een jaar overdoen lost niet de achterliggende problemen op! Velen van hen komen na dat jaar extra kleuteren alsnog in de problemen. Om die reden is het beter om een beslissing te nemen na verder onderzoek. Eerst moet vastgesteld worden waar de grootste problemen liggen. Denk hierbij aan verstandelijke ontwikkeling, concentratie, gedrag, motoriek of eventueel gezichtsvermogen of gehoor.

Maar we moeten ook niet uit het oog verliezen dat de helft van de couveusekinderen op vijfjarige leeftijd geen enkel probleem heeft. Bij veel kinderen merk je er nauwelijks iets meer van dat ze te vroeg of te klein zijn geboren, of dat ze (erg) ziek zijn geweest na hun geboorte.

Kleuters

Naarmate het kind ouder wordt, komen er meer problemen aan het licht door de eisen die de maatschappij stelt. Als een kind naar school gaat, wordt er ook meer van hem gevraagd. Zo komt het dat er beperkingen aan het licht komen die nog niet eerder waren opgemerkt. 8% van de meisjes en maar liefst 17% van de jongens worden hiermee geconfronteerd: ze hebben concentratieproblemen, begrijpen opdrachten slecht, zijn verlegen of juist druk of ze kunnen zich niet goed uitdrukken. Ook zie je lichtere motorische stoornissen (als houterigheid of problemen in de fijne motoriek). Dit belemmert het normale leren en ook het leren van alledaagse vaardigheden (als veters strikken, maar ook het wachten op je beurt).
Stuk voor stuk kunnen deze problemen nog wel meevallen, maar door de combinatie zijn ze vaak wel lastig te hanteren. Daarom is langdurige follow-up nodig van alle kinderen die veel te vroeg zijn geboren, en hebben veel van deze kinderen extra begeleiding nodig.

Onderzoek

Leerproblemen op school kunnen bij kinderen een alarmteken van achterliggende problemen zijn. Dat kunnen cognitieve problemen zijn (in de hersenen). Ze vormen een indicatie voor verwijzing van het betreffende kind naar een psycholoog of orthopedagoog voor uitgebreid onderzoek.
Een jaar langer kleuteren is meestal geen goede oplossing. Omdat leerproblemen zo vaak voorkomen bij extreem te vroeg geboren kinderen is het zelfs aan te bevelen om deze problemen voor te zijn. Daarom wordt gepleit voor een gestandaardiseerd onderzoek op vijfjarige leeftijd van de cognitie van alle kinderen die geboren zijn na een zwangerschapsduur van minder dan 32 weken of met een geboortegewicht lager dan 1500 gram Dit zou moeten plaatsvinden vóórdat het kind naar groep 3 gaat.

Fijne motoriek

Vaak wordt bij ex-couveusekinderen op de basisschoolleeftijd ontdekt dat ze problemen hebben met de fijne motoriek. Dit soort problemen heeft vaak als oorzaak het niet goed aangemaakt zijn van verbindingen in de hersenen, die normaal in de laatste drie maanden van de zwangerschap worden gemaakt – de tijd dat een prematuur vaak in de couveuse heeft doorgebracht. Dat proces gaat wel door in de couveuse, maar dat is toch niet de natuurlijke omgeving. Daardoor zie je dat een kind bijvoorbeeld moeilijk ‘binnen de lijntjes’ kan kleuren of niet netjes kan knippen. Het is goed om te kijken hoe hij potlood of schaar vasthoudt: als hij dat verkeerd aanleert is het moeilijk het weer af te leren.

Gedragsproblemen

Gedragsproblemen kunnen van alles omvatten. Slechte concentratie bijvoorbeeld, niet kunnen of willen luisteren, geen geduld hebben om uitleg te krijgen, iets willen en doordrammen. Er zijn ook kinderen die moeilijk samen kunnen spelen, of die moeite hebben dat ze even moeten wachten omdat de juf met iets anders bezig is. Er zijn kinderen die het heel lang heel moeilijk hebben dat hun moeder weggaat, of juist kinderen die het niet kan schelen – beiden kunnen wijzen op hechtingsproblemen.

Leerproblemen

Het is wel heel belangrijk om veel te lezen met je kind: een kleuter kan dat natuurlijk niet zelf, maar denk hierbij aan voorlezen, veel praten, veel laten praten en vragen stellen. Ex-couveusekinderen hebben nogal eens dyslexie-achtige problemen, die in feite geen dyslexie zijn maar problemen met het omzetten van letters in klanken en omgekeerd. Lastig, want het herkennen van klanken is een voorwaarde om straks echt te leren lezen.

Kleuteronderzoek door de kinderarts

Omdat meer dan de helft van al deze kinderen ontwikkelingsproblemen heeft op een of ander gebied, is routineonderzoek van al deze kinderen noodzakelijk. De te gebruiken testen moeten alle domeinen van de ontwikkeling onderzoeken, een vaststaande structuur hebben, zowel wat betreft het uitvoeren van de test als van het berekenen van de testresultaten. Het gewone onderzoek door een kinderarts die zich in een normale poliklinische setting een algemeen oordeel vormt is onvoldoende. De gevolgen van de problemen rond de geboorte zijn vaak groter dan artsen op het eerste gezicht denken.
Helaas is er geen eenvoudige manier om de kinderen die extra zorg nodig hebben ‘eruit te vissen’.

Een kinderarts zal een speciaal onderzoek moeten doen, dat hiervoor ontwikkeld is. Dit onderzoek bestaat uit een uitgebreide vragenlijst voor de ouders en een lichamelijk onderzoek door een kinderarts. Het lichamelijk onderzoek moet ook een neurologisch onderzoek omvatten, er wordt bijvoorbeeld gekeken naar de tonus, reflexen, spierkracht, onwillekeurige bewegingen, houding, balans, coördinatie en grove motorische vaardigheden. Ook wordt gekeken naar verstandelijke ontwikkeling en (sociaal) gedrag. Speciale aandacht moet worden besteed aan taal, omdat bekend is dat veel kinderen ‘talige’ problemen hebben.

Het onderzoek duurt ongeveer één uur duurt en zal gedaan moeten worden voordat het kind zes jaar is. Hiermee is vast te stellen bij welke veel te vroeg geboren kinderen ontwikkelingsstoornissen zijn ontstaan die een belemmering zouden kunnen vormen voor een normale scholing en een normaal leven. Kinderen met een zekere of mogelijke stoornis zouden verwezen moeten worden voor verder onderzoek en zo nodig gerichte behandeling. Kinderen zonder stoornis zouden dan kunnen worden betiteld als ‘optimaal’ en worden ontslagen van verdere follow-up.

In dit artikel is gebruik gemaakt van de samenvatting van het proefschrift van Dr. M.J.K. de Kleine, kinderarts-neonatoloog, Follow-uponderzoek van veel te vroeg geboren kinderen op de leeftijd van vijf jaar.

Een jaar overdoen

In grote lijnen geldt hiervoor hetzelfde als voor ‘een jaartje langer kleuteren‘. Het idee is dat het voor kinderen meestal niet goed is om te blijven zitten, hetzelfde schooljaar nog een keer te doen. Toch komt het relatief vaak voor, om allerlei redenen. Een school hanteert eigen normen en regels, die vermeld moeten worden in de schoolgids. Redenen om een jaar over te doen kunnen dan zijn dat het kind ‘te jong’ is, hij is bijvoorbeeld weinig weerbaar of erg schuchter. Er kunnen ook persoonlijke omstandigheden zijn, een kind kan veel ziek zijn geweest en veel van het schooljaar gemist hebben. Maar ook spelen de resultaten van het kind een rol: hij heeft slechte cijfers gehaald of zijn cito-uitslag is aan de lage kant.

De vraag is natuurlijk of het zinvol is om een heel jaar over te doen, en alle stof die het kind al gehad heeft nog een keer te herhalen. Bij sommige vormen van onderwijs (bijv Montessori) wordt het het kind gegund om gewoon wat trager te zijn, een eigen tempo aan te houden (en dat komt bij ex-couveusekinderen nog wel eens voor). In de grote klassen van het gewone onderwijs is het nauwelijks te doen om rekening te houden met alle individuele problemen van de vele verschillende kinderen.

Overleg in ieder geval goed met de leerkracht en weeg de voor- en nadelen van een jaar overdoen goed af, in het belang van je kind! Ook als een kind ‘blijft zitten’, lost dat de problemen niet vanzelf op. Daarbij is niet goed kunnen lezen de belangrijkste indicatie. De school kan dat beter met een aangepast programma bijsturen.

Schoolbegeleidingsdienst

Als leerkrachten en/of ouders problemen constateren zoals een kind dat niet zo goed leert als verwacht werd, een kind dat zich niet kan concentreren, een kind dat altijd ruzie heeft met klasgenootjes of achterblijft in zijn ontwikkeling en er geen verandering in kunnen brengen langs de normale wegen, is het raadzaam de schoolbegeleidingsdienst in te schakelen. Vrijwel iedere basisschool is aangesloten bij een (regionale) schoolbegeleidingsdienst. De intern begeleider van de school verzorgt de aanmelding.

De onderzoeken van de onderwijsbegeleidingsdienst vinden meestal plaats op school. De dienst heeft verschillende testmogelijkheden. Zo kan men onderzoek doen naar dyslexie of dyscalculie, maar bijvoorbeeld ook een concentratietest doen. De uitslag wordt eerst met de ouders besproken, daarna ook met de leerkracht en samen met de school wordt een begeleidingsplan opgesteld.

De kosten worden meestal betaald door de school, die voor dit soort dingen een budget moet hebben.

Speciaal onderwijs

Scholen voor speciaal basisonderwijs zijn basisscholen bedoeld voor:

  • moeilijk lerende kinderen;
  • kinderen met opvoedingsmoeilijkheden;
  • kinderen met een handicap;
  • alle andere kinderen die speciale zorg en aandacht nodig hebben.

Daarbij moet worden aangetekend dat de overheid ernaar streeft leerlingen zoveel mogelijk te laten deelnemen aan het gewone onderwijs en kunnen doorstromen naar een gewone vervolgopleiding.
Van alle kinderen in Nederland gaat ongeveer 1% van de vijfjarigen naar het speciaal onderwijs, maar als je uitsluitend kijkt naar de kinderen die prematuur zijn geboren, is dat 12%. Het gaat hier vooral om kinderen met een matige tot ernstige verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap. Dit soort handicaps zijn vaak al duidelijk voordat een kind naar school gaat.

Het zogenaamde rugzakje (Leerling Gebonden Budget) bestaat helaas niet meer sinds het schooljaar 2014-2015.

Scholen voor speciaal basisonderwijs en reguliere basisscholen vallen onder de Wet op het primair onderwijs (WPO) en hebben dezelfde kerndoelen. Kerndoelen zijn streefdoelen voor de kennis en vaardigheden van een leerling aan het eind van de basisschool. Een leerling kan hier op een school voor speciaal basisonderwijs eventueel langer over doen. Deze scholen hebben een uitloopmogelijkheid voor leerlingen tot 14 jaar.

SBO-leerlingen lopen dagelijks aan tegen de beperkingen. zoals ADHD, dyslexie, dyscalculie, allerlei vormen van autisme, hoogbegaafdheid of een chronische ziekte. De leerkrachten en gespecialiseerde deskundigen kunnen dankzij hun expertise op het vlak van leer-, gedrags- en opvoedingsproblemen de leerlingen adequaat begeleiden en leren om te gaan met hun beperkingen. Ze hebben hiervoor een speciale opleiding gevolgd én ze hebben een enorme drive om het beste uit elk kind te halen.

Gekeken wordt naar wat het kind nodig heeft zodat elk kind die vorm van onderwijs krijgt dat het beste bij zijn of haar talenten en beperkingen past. SBO-scholen werken met het ontwikkelingsperspectief wat een goede basis is voor het passende onderwijs per kind. SBO-scholen werken daarbij veel samen met anderen. Ze werken nauw samen met deskundigen uit overige disciplines, zoals een psycholoog, een dyslexiespecialist, een speltherapeut, een logopedist of een fysiotherapeut. Dit multidisciplinaire team komt regelmatig samen om de individuele ontwikkeling van het kind te monitoren.

Regionale samenwerkingsverbanden

De scholen voor het speciaal onderwijs gaan samen met gewone scholen deelnemen in regionale samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs. Binnen de samenwerking spreken de scholen af welke leerlingen ze doorverwijzen naar het speciaal onderwijs. Niet alle scholen kunnen alle kinderen opvangen. Als een school geen passend onderwijs kan geven, zoeken ze in het samenwerkingsverband naar een school die dat wel kan. Zo kunnen scholen zich specialiseren en afspreken wie aan welke kinderen het beste onderwijs kan bieden. Voor deze leerlingen geeft het samenwerkingsverband een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ af. Zo’n verklaring geeft recht op een plek in het speciaal onderwijs.

Ouders

Daarnaast werkt het SBO nauw samen met ouders. Gedurende de periode dat hun kind naar een SBO-school gaat, zijn ouders actief betrokken bij de schoolprestaties en ontwikkeling. Leerkrachten houden de ouders op de hoogte van de ontwikkeling en (speciale) begeleiding van hun kind. Andersom informeren ouders de leerkrachten over ontwikkelingen in of behoeftes vanuit de thuissituatie. De extra aandacht voor de thuissituatie zorgt ervoor dat SBO-leerlingen zich optimaal ontwikkelen.

Clusters speciaal onderwijs

Hoewel het een streven is, kunnen toch niet alle kinderen naar het gewone onderwijs. Daarom blijven er uiteindelijk ook speciale scholen – waar steeds weer gekeken wordt of een kind misschien toch kan deelnemen aan het normale onderwijs. Het speciaal onderwijs is onderverdeeld in 4 clusters, dit geldt zowel voor het basis- als voor het voortgezet onderwijs.

  • Cluster 1: blinde en slechtziende kinderen
    Dit zijn scholen voor visueel gehandicapte kinderen, inclusief meervoudig gehandicapte kinderen die slechtziend of blind zijn. Kinderen met een visuele handicap gaan bij voorkeur naar een gewone school.
  • Cluster 2: dove, slechthorende kinderen
    Dit zijn scholen voor dove en slechthorende kinderen, maar ook voor kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden of taalmoeilijkheden en andere communicatieve problemen, zoals bij bepaalde vormen van autisme.
  • Cluster 3: gehandicapte en langdurig zieke kinderen
    Dit zijn scholen voor leerlingen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen (vroeger: mytyl- en tyltylscholen). Ze zijn ook bedoeld voor kinderen met een langdurige of chronische ziekte, zoals kinderen met epilepsie.
  • Cluster 4: kinderen met stoornissen en gedragsproblemen
    Dit zijn scholen voor kinderen met psychiatrische stoornissen of ernstige gedragsproblemen. Ook scholen die verbonden zijn aan pedologische (kinderkundige) instituten vallen onder dit cluster.

Als je denkt dat je kind in aanmerking komt voor speciaal onderwijs, kun je op rijksoverheid.nl meer lezen over de aanmeldingsprocedure.

Problemen

Motorische beperkingen

Spasticiteit (cerebrale parese)

Prematuur geboren kinderen hebben een verhoogde kans op aandoeningen als cerebrale parese, doordat ze nog zo onrijp zijn bij de geboorte. Dat kan de oorzaak zijn van een hersenbeschadiging een hersenbloeding of een zuurstoftekort. Overigens kan een kind kan ook op andere manieren spasme oplopen, een op tijd geboren kind kan bijv zuurstofgebrek hebben gehad bij de geboorte.

Spasticiteit is een verhoogde spanning van de spieren, een soort voortdurende kramp. Oorzaak is een beschadiging in de hersenen of in het zenuwstelsel, zodat niet de juiste signalen kunnen worden doorgegeven aan de spieren. Bewegen verloopt dan moeizaam. Spasme kan ernstig en minder ernstig zijn.

Spastische baby’s voelen stijf aan, ze ‘voegen zich niet’. Later kunnen ze niet of moeizaam leren lopen en zullen ze dagelijkse bewegingen, zoals eten of aankleden, ook moeilijk of helemaal niet zelf kunnen.
Al op heel jonge leeftijd is het bewegingspatroon van ernstig spastische kinderen anders dan normaal, bijvoorbeeld een kind beweegt asymetrisch of kan het hoofdje niet goed optillen van de ondergrond. Vaak krijgt een kind dan fysiotherapie, en is het de fysiotherapeut die alarm slaat. De diagnose wordt daardoor vroeg gesteld. Dan kan ook al vroeg worden vastgesteld welke hulp een kind en zijn ouders nodig hebben.
In minder ernstige gevallen kan het moeilijker zijn om al vroeg de juiste diagnose te stellen, met name als de baby ook nog andere problemen heeft, zoals longproblemen.

Onhandigheid

Van alle POPS-kinderen is vijf procent zo spastisch dat er ernstige beperkingen zijn. Maar meestal zijn de afwijkingen veel minder groot. Soms wordt er lichte spasticiteit geconstateerd maar kinderen kunnen ook een wat onhandig bewegingspatroon hebben. Ook baby’s met deze kenmerken voelen in het begin stijf aan. De kinderarts kijkt daarom in die periode steeds of een kind links en rechts even goed (symmetrisch) beweegt: kan het kind gericht bewegen en hoe zijn de reflexen? Maar zelfs als er goed wordt opgelet, kan het een aantal maanden duren voor men met zekerheid kan zeggen dat er niets aan de hand is.

Afname motorische handicaps

De laatste jaren is het aantal kinderen dat een motorische handicap overhoudt aan de couveuseperiode afneemt. Onderzoekers van het UMC Utrecht concluderen dat na analyse van de uitkomsten van ruim premature 3000 geboortes tussen 1990 en 2005. Volgens de artsen is het een teken dat de perinatale en neonatale zorg is verbeterd (Journal of Pediatrics 3 maart 2011).

In die periode daalde het aantal kinderen dat cerebrale parese (spasticiteit) ontwikkelde van 6,5 naar 2,2 procent. Bovendien verminderde de ernst van de spasticiteit bij de kinderen die nog wel een cerebrale parese ontwikkelden dankzij verbeterde perinatale zorg. Cerebrale parese werd minder vaak gezien bij het gebruik van antibiotica door de moeder vóór de geboorte, bij een geboorte via een keizersnede, en bij een langere zwangerschapsduur.

Het goede nieuws is niet alleen dat er minder kinderen zijn die spastisch worden, maar de ernst ervan neemt ook af. Veel spastische kinderen kwamen twintig jaar geleden nog in een rolstoel terecht, bleven in hun verstandelijke ontwikkeling achter en waren daardoor van speciaal onderwijs afhankelijk. Tegenwoordig kunnen de meeste kinderen met een motorische handicap zelfstandig lopen en deelnemen aan het reguliere onderwijs.

De afname van cerebrale parese bij te vroeg geboren kinderen is een belangrijke aspect van de kwaliteit van de perinatale zorg. Deze afname laat zien dat de perinatale zorg de afgelopen vijftien jaar is verbeterd. Volgens hoogleraar neonatale neurologie prof. dr. Linda de Vries van het UMC Utrecht doet Nederland het met ruim 2 procent goed ten opzichte van bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Daar ontwikkelt zo’n 7 tot 10 procent van de te vroeg geboren kinderen cerebrale parese.

Bron: o.a. Proefschrift Inge-Lot van Haastert (2011), UMC

Zintuiglijke problemen

Als gevolg van alles wat er gebeurd is in de couveuseperiode, kan een kind slechtziend of zelfs blind zijn. Ook kunnen er problemen zijn met het gehoor. Omdat dit goed gevolgd wordt, is vaak al vrij snel duidelijk dat deze problemen er zijn. Natuurlijk geven deze beperkingen ook problemen op school. Gelukkig is er voor deze kinderen wel veel begeleiding. Voor kinderen met een visuele beperking zal dit vanuit instellingen als Visio en Bartimeus geregeld worden.

Problemen met het gehoor worden tegenwoordig al vroeg ontdekt, meestal al in de ziekenhuisperiode. Ouders van kinderen met auditieve problemen kunnen terecht bij de NSDSK. Meestal worden de contacten al in de ziekenhuisperiode gelegd.

Leerproblemen

Veel couveusekinderen zijn kwetsbaar wat betreft de leerprocessen op de schoolleeftijd. Vaak vallen de eerste levensjaren mee, maar het neurologisch systeem ontwikkelt zich verder. Op de schoolleeftijd, bij het leren, worden er meer specialistische, gedifferentieerde eisen gesteld aan de hersenfuncties en dan merk je dat het leerproces wel kan haperen. Dat wil zeggen dat het lezen, spellen en vaak ook het rekenen wel komt, maar niet in het tempo dat ‘normaal’ is in het reguliere basisonderwijs.

Couveusekinderen hebben, vaak meer last van leerproblemen. Je kunt hier spreken van een ontwikkelingsachterstand, maar helaas niet in de zin van dat het ‘over’ gaat. Het leren lezen en spellen gaat niet altijd vanzelf. Het kan extra inspanning en oefening kosten, dus het leertempo is en blijft minder snel verlopen. Het leren van een tweede taal is in zulke omstandigheden een extra belasting, maar de positieve kant is dat het een extra uitdaging kan zijn.

Leermoeilijkheden en leerstoornissen

Leerproblemen is de verzamelnaam voor leermoeilijkheden en leerstoornissen, waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen deze twee. Een kind heeft leermoeilijkheden als het moeilijk mee kan op school. Er kan hiervoor een aanwijsbare oorzaak gevonden worden. De oorzaak kan in het kind zelf gelegen zijn:

  • het kind kan een zwakke verstandelijke aanleg hebben waardoor het over het algemeen moeilijk mee kan op school;
  • het kind ziet of hoort slecht waardoor het leren belemmerd wordt;
  • het kind heeft een neuromotorische stoornis waardoor het moeilijk mee kan op school;
  • het kind kan emotionele – of gedragsproblemen hebben waardoor het ook problemen kan hebben met leren.

De oorzaak kan ook in de omgeving liggen, bijvoorbeeld:

  • in de opvoedingomstandigheden;
  • gebrekkig onderwijs, inadequate didactische methoden;
  • veelvuldig ziekteverzuim;
  • veel veranderingen van school;
  • onderwijs in een andere taal dan de moedertaal.

Een leerling met een leerstoornis is een leerling die moeilijkheden heeft met één of meerdere schoolse vakken, maar waarbij andere gebieden van de ontwikkeling niet verstoord zijn. De oorzakelijke verbanden zijn niet direct aanwijsbaar. Leerstoornissen zijn problemen, die het leren van specifieke vaardigheden zoals lezen, spellen en rekenen belemmeren, maar weinig of geen invloed uitoefenen op het leren in ruimere zin (zoals dyslexie of dyscalculie maar ook extreme traagheid).

Voor een aantal leerlingen met leerproblemen zullen testen en eventueel diagnosticeren nodig zijn om te kunnen komen tot een adequaat plan van aanpak. In het onderwijs wordt onderscheid gemaakt tussen didactisch onderzoek en psychologisch onderzoek. Soms is er van tevoren al een vermoeden welk leerprobleem een kind heeft. De psycholoog voert dan naast intelligentie- en persoonlijkheidstesten ook nog aanvullend didactisch onderzoek uit. Dit is bijvoorbeeld het geval met onderzoek naar dyslexie.

Adviezen

  1. Het is goed de lees- en schrijfproblemen snel te signaleren en extra ondersteuning te bieden in de vorm van Remedial Teaching of bijles. Veel oefenen en uitzoeken op welke manier het lezen en spellen verbeterd kan worden, is aan te raden.
  2. Vooral goed oog hebben voor de relatief sterke kanten van het kind. Deze benutten om hem te helpen en te steunen in het ontwikkelen van een positief zelfbeeld zodat hij/zij niet steeds denkt: “Ik kan toch niet goed leren”. Dit helpt een beetje vechtlust te ontwikkelen die deze kinderen altijd nodig zullen hebben om verder te leren.
  3. Als ouder ben je altijd heel belangrijk om te steunen in het overwinnen van de tegenslagen. Vooral door te complimenteren als het kind vorderingen maakt.
  4. Begrip tonen bij tegenslag, maar oppassen te beschermend te zijn.

Bron: o.a. Elske Sigmond, orthopedagoog faculteit Sociale Wetenschappen, Leiden

Dyslexie

Vijf tot tien procent van de bevolking heeft in meer of mindere mate last van dyslexie, dat letterlijk ‘slecht in taal’ betekent. Mensen met dyslexie hebben moeite met lezen en spellen. Volgens de Commissie Dyslexie van de Gezondheidsraad is dyslexie aan de volgende kenmerken te herkennen:

  • ernstige lees- en of spellingsachterstand; de prestaties vallen ruim onder de norm;
  • extra hulp van een leerkracht heeft weinig resultaat;
  • het lezen gaat zeer traag en/of onnauwkeurig en snel, de directe woordherkenning en het spellen zijn onvoldoende geautomatiseerd.

Het is niet bekend of bij prematuur geboren kinderen vaker dyslexie voorkomt dan bij op tijd geboren kinderen. Omdat leerproblemen in het algemeen meer voorkomen bij prematuren, zullen ze ook minder gauw aan de standaardnormen voor lezen en spellen voldoen. Maar dat wil niet zeggen dat ze dyslectisch zijn. Ze kunnen ook gewoon traag of minder intelligent zijn.

Sinds 1 januari 2009 is de vergoeding van diagnostiek en behandeling van ernstige, enkelvoudige dyslexie in het basispakket van de zorgverzekering opgenomen. Het woord ‘enkelvoudig’ wil zeggen dat er géén sprake mag zijn van bijkomende stoornissen zoals bijvoorbeeld AD(H)D.

Meer over dyslexie op de website van Zorgwijzer.

Verstandelijke beperking

Bekend is dat het gemiddelde IQ van een prematuur lager is dan van een op tijd geboren kind. Daarbij moet worden aangetekend, dat het ‘meten van het IQ middels een test’ ook aanvechtbaar is, want wàt moet daar precies bij gemeten worden? Bovendien zegt het IQ niet alles over een verstandelijke beperking. Vaak zijn er ook beperkingen op praktisch of sociaal gebied. Ook zie je wel dat een verstandelijke beperking samengaat met andere problematiek, zoals bepaalde vormen van autisme (die je ook weer vaker ziet bij prematuur geboren kinderen dan in de rest van de bevolking). Ook psychische problemen, ADHD, angsten of depressie, kunnen een rol spelen of zelfs op de voorgrond treden. Toch zijn er wel een aantal aanknopingspunten.

Tegenwoordig kan een kind met een verstandelijke beperking vaak op een gewone school terecht. De school is zelfs verplicht aan ieder kind goed en passend onderwijs te bieden, maar het is wel extra verstandig de school met zorg uit te kiezen. Vaak is het mogelijk om hulp of extra begeleiding te organiseren, bijvoorbeeld via AWBZ-zorg op school. Toch gaan ook veel kinderen met een verstandelijke beperking naar het speciaal onderwijs.

Als je kind een verstandelijke beperking heeft, of er wordt een verstandelijke beperking vermoed, kun je terecht bij MEE.

Gedragsproblemen

Het is lastig een definitie te geven van wat er onder gedragsproblemen wordt verstaan. Gedragsproblemen zijn vaak aanpassingsproblemen: een kind dat zich anders gedraagt dan andere kinderen, bijvoorbeeld extreem boos wordt als iets niet lukt of als hij iets dat hij graag wil niet voor elkaar krijgt. Vaak gaat het om dingen als: driftig worden, pesten, je niet aan de regels houden, spijbelen, geen huiswerk maken, geen (echte) vrienden hebben. Kinderen die zich niet kunnen inleven in anderen, of zich er niets van aantrekken. Kortom: gedrag waar anderen (leerlingen, leerkrachten maar ook ouders, broertjes en zusjes, last van hebben.

De andere kant wordt vaak vergeten, maar ook een kind dat zich terugtrekt, zich nergens over opwindt, slachtoffer is van pesten, altijd braaf doet wat er gezegd wordt , kortom: kinderen die nooit over grenzen heen gaan – zo’n kind kan net zo goed een gedragsprobleem hebben. Vaak wordt dit niet opgemerkt, een dergelijk kind wordt immers niet als ‘lastig’ ervaren?

Er kan ook sprake zijn van een gedragsstoornis. Je spreekt van een stoornis als het probleem niet te verhelpen is en de persoon ermee moet leren omgaan. Een stoornis zit echt in het lichaam en is met de geboorte in de genen meegegeven, of kan ontstaan zijn doordat er bijvoorbeeld in ontwikkeling van de hersenen/het zenuwgestel wat mis is gegaan bijvoorbeeld in de couveusetijd . ADHD, ADD en ODD (opstandig gedrag) en CD (asociaal gedrag) zijn voorbeelden van stoornissen.

Onduidelijkheden

Er is wel iets met mijn kind, maar wat? Aan de ene kant is het fijn dat de medische wetenschap geen stempeltje op je kind kan zetten. Aan de andere kant is het lastig. Het heeft geen naam. En: het is ook heel lastig om hulp voor je kind te krijgen als er geen duidelijke diagnose is.

Soms is het ook een kwestie van een beetje van dit en een beetje van dat. Een kind dat klein is, snel angstig, verlegen en onhandig. Of een kind dat snel boos is, zich met moeite kan concentreren en zich houterig, stijf beweegt. Een kind dat stottert, verstandelijk wat problemen heeft en autistische trekken vertoont – maar niet genoeg om die diagnose te stellen. Een kind dat traag leert en onhandig is in zijn sociale contacten… Het zijn maar een paar voorbeelden.

Zelf ken je de gebruiksaanwijzing van je kind vaak wel, je bent met hem opgegroeid en kent zijn eigenaardigheden. Maar voor een leerkracht (of bijvoorbeeld de groepsleider bij een sportclub) is dat een stuk moeilijker. Bovendien is jouw kind niet het enige kind met een gebruiksaanwijzing in de groep of in de klas!

Wat te doen? Toch maar weer met die leerkracht (of groepsleider enz) gaan praten, met geduld en begrip voor zijn/haar situatie uitleggen dat je kind anders is. Vooral goed oog hebben voor de relatief sterke kanten van het kind, vertel die ook aan de leerkracht. Deze kun je benutten om hem te helpen en te steunen in het ontwikkelen van een positief zelfbeeld zodat hij/zij niet steeds denkt: “Ik kan toch niet goed leren”. Dit helpt een beetje vechtlust te ontwikkelen die deze kinderen altijd nodig zullen hebben om verder te leren.

Als ouder ben je altijd heel belangrijk om te steunen in het overwinnen van de tegenslagen. Complimenten maken als het kind iets goed doet, en negatieve dingen liever negeren. Begrip tonen bij tegenslag, maar oppassen te beschermend te zijn.

Het zijn maar kleine dingen en ze zullen zeker niet alles oplossen, maar ze dragen er wel aan bij dat je kind beter in zijn vel komt te zitten en niet de moed verliest. En dat zorgt ook weer dat jij, als vader/moeder ook verder kunt.

School rond het 10e jaar

Hoe verder de schoolcarrière van een kind vordert, hoe meer eisen er aan dat kind gesteld worden. Tussen zes en tien jaar zie je dan ook dat steeds meer kinderen extra ondersteuning nodig hebben of worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs.

Concrete problemen

Op de leeftijd van negen jaar kreeg 6,5 procent van alle kinderen die in 1983 geboren waren speciaal onderwijs. Van de POPS-kinderen was dat 19 procent. (Daarbij moet worden aangetekend dat in 1992 meer kinderen dan nu werden toegelaten in het speciaal onderwijs, een deel van deze kinderen zou nu op een gewone basisschool blijven en extra ondersteuning nodig hebben.) Op deze leeftijd waren ook bij POPS-kinderen leer- en gedragsproblemen de belangrijkste redenen voor doorverwijzing. De kinderen konden minder goed lezen, rekenen en spellen dan anderen, en bij een deel van de leerlingen werd ADHD vastgesteld.

Speciaal onderwijs

Meer dan de helft van de POPS-kinderen die in de periode tussen vijf en negen jaar voor het eerst naar het speciaal onderwijs gingen, had bij het onderzoek op de leeftijd van vijf jaar nog niet echt een beperking of handicap. De meesten hadden wel kleine neurologische afwijkingen, die leerproblemen hadden kunnen voorspellen, zoals lichte neurologische stoornissen of onhandigheid, een achterstand in hun taalontwikkeling of scheelzien. Toen werd nog gedacht dat kinderen wel over zulke problemen heen groeien. Later bleek dat zeker als er sprake was van een combinatie van deze dingen, de kans groot was dat deze kinderen in het speciaal (basis)onderwijs terecht kwamen.

Extra hulp

Ook de kinderen die wel in het gewone basisonderwijs bleven, ging het niet altijd voor de wind. Veel kinderen bleven een extra jaartje kleuteren en ook in groep drie bleven veel kinderen een keer een jaar zitten. Veel POPS-kinderen hadden extra hulp of remedial teaching nodig. Meer dan de helft van de zittenblijvers had die extra hulp nodig, en ruim een kwart van de rest van de POPS-kinderen. De scores op een intelligentietest, die bij een deel van de POPS-kinderen op 11-jarige leeftijd werd afgenomen, waren in het algemeen iets lager dan de scores van andere elfjarigen. Dertig procent van de kinderen die op vijf jaar geen ernstige handicap hadden, hadden op elf jaar een beneden gemiddeld IQ (lager dan 85). Dat zijn er bijna twee keer zo veel als in de normale bevolking.

Bron: ’Ook kleintjes worden groot’ (resultaten POPS-onderzoek), Peggy van der Lee

Groei

Ouders met een te vroeg geboren kind of een kind dat bij de geboorte dysmatuur was, blijven gefocust op de groei. Als een kind veel te vroeg geboren wordt, is het klein en mager: er is nog geen of nauwelijks babyvet aanwezig. Dat is ook een van de redenen waarom het kind in de couveuse ligt, het kan zichzelf niet op temperatuur houden.

Groei was in de couveusetijd heel belangrijk, en ook in de beleving van de ouders speelt het een grote rol. Hoe kleiner het kind, hoe kwetsbaarder het is en hoe meer risico’s het loopt – is het gevoel van veel ouders – niet per definitie waar, want er zijn ook kleine, krachtige mensen!

Inhaalgroei

De meeste couveusekinderen zijn bij ontslag niet op het gewicht dat ze zouden moeten zijn als ze op tijd geboren zouden zijn. Dat komt omdat ze hun energie ook op andere manieren nodig hebben om zich buiten de baarmoeder te kunnen ontwikkelen en problemen moeten overwinnen.

Het duurt nog lang voordat het kind de achterstand heeft ingehaald. Heel grofweg: uit de meeste (internationale) studies blijkt dat 66 tot 82% van de kinderen op de (gecorrigeerde) leeftijd tussen de anderhalf en twee jaar een normaal gewicht en een normale lengte heeft. De verschillen ontstaan omdat sommige onderzoeken uitgaan van tenminste een p3 lijn, en andere van p10. Uit het Nederlandse POPS-onderzoek blijkt dat 70% van de kinderen op de (gecorrigeerde) leeftijd van 2 jaar nog niet op het gemiddelde van ‘normale’ 2-jarigen zitten. Maar op de leeftijd van 5 jaar hebben toch een aantal kinderen nog ‘ingelopen’: dat zit nog 60% onder de p50 lijn.
Over prematuren op volwassen leeftijd is maar weinig bekend. Uit één onderzoek blijkt dat vooral meisjes (geboren tussen 1977 en 1979) op 20-jarige leeftijd de groei vrijwel allemaal hebben ingehaald, jongens zijn wel significant kleiner en lichter dan hun leeftijdgenoten. Met name jongens die zowel prematuur als dysmatuur waren, bleven te klein. Bij meisjes is die kans minder groot. Waardoor dat verschil bestaat is niet duidelijk, veronderstelt wordt dat jongens na de geboorte meer complicaties hebben gehad.

Wel is intussen duidelijk dat aan een te snelle inhaalgroei ook nadelen verbonden zijn: deze kinderen neigen snel tot vetzucht wat weer nadelig is voor hun algehele gezondheid.

Bronnen: Kleine Maatjes VOC, Te vroeg geboren (R.de Leeuw, L.Bakker) en Praktijkboek voor Prematuren

SGA & dysmaturen

Small for Gestational Age (SGA)

Om te bepalen of een baby normaal of te klein is voor de zwangerschapsduur worden het geboortegewicht en de geboortelengte vergeleken met de gegevens van een grote groep baby’s die bij dezelfde zwangerschapsduur werden geboren, de zogenaamde ‘normale groeicurve voor de zwangerschapsduur’.

De termen ‘te klein geboren’, ‘dysmatuur’ of ‘small for gestational age (SGA)’ worden gebruikt voor kinderen die bij de geboorte te klein waren voor de zwangerschapsduur. Te klein voor de zwangerschapsduur betekent dat een baby behoort tot de 2,3 % kleinste baby’s. De onderste 2,3 % lijn van de normale groeicurve wordt ook wel de –2 standaard deviatie score (SDS) lijn genoemd.

Tegenwoordig wordt een baby die bij de geboorte te klein is voor de zwangerschapsduur ‘SGA’ genoemd. Experts zijn recent overeengekomen dat er van SGA sprake is indien het geboortegewicht of de geboortelengte of beide onder de –2 SDS lijn vallen voor de zwangerschapsduur. Dit betekent dat sommige SGA baby’s alleen een te laag geboortegewicht hebben, andere baby’s alleen een te kleine geboortelengte en er zijn ook baby’s die bij de geboorte zowel een te laag gewicht als een te kleine lengte hebben.

Diagnose SGA

Voor het stellen van de diagnose SGA is het van groot belang dat alle kinderen bij de geboorte nauwkeurig worden gemeten. Dit betreft zowel geboortegewicht, als ook de geboortelengte en de hoofdomtrek. Als deze metingen niet direct na de geboorte kunnen plaatsvinden vanwege ernstige prematuriteit en/of beademing of ziekte van de baby, dan moeten deze metingen zo spoedig mogelijk worden verricht zodra de conditie van het kind het toelaat. Vervolgens kunnen de metingen worden vergeleken met de ‘normale groeicurve voor de zwangerschapsduur’ (zie Figuur 1).

Oorzaken van SGA

SGA kan door vele factoren worden veroorzaakt. Soms spelen bepaalde moederlijke factoren een rol, zoals hoge bloeddruk, roken, chronische ziekte, ondervoeding,of bepaalde medicijnen. In andere gevallen blijkt de placenta (moederkoek) onvoldoende te functioneren of heeft de ongeboren baby zelf een afwijking waardoor de groei wordt belemmerd, of is er sprake van meerdere baby’s. Maar in de meeste gevallen is het niet bekend waarom een baby bij de geboorte te klein is.

Normale groeicurve na de geboorte

Alle kinderen groeien vanaf het prilste begin, dus zowel vóór als na de geboorte. Het ene kind groeit sneller dan het andere en daardoor wordt het ene kind langer en blijft het andere kleiner. Hetzelfde geldt voor de toename van het gewicht en de hoofdomtrek. Om de normale groei van lengte en gewicht van kinderen te kunnen beoordelen worden om de 15 jaar enkele duizenden gezonde Nederlandse kinderen met een leeftijd tussen de 0 en 21 jaar gemeten. Uit die informatie worden de zogenaamde ‘normale’ groeicurven voor lengte, gewicht en schedelomtrek per leeftijd gemaakt. Er bestaan vrij grote verschillen in lengte, gewicht en hoofdomtrek tussen gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Daardoor is de variatie per leeftijd vrij groot.

Afwijkende lengtegroei

Na de geboorte zal ieder kind in de eerste twee levensjaren zijn/haar ‘eigen groeilijn’ opzoeken. Daarna blijven kinderen ongeveer volgens hun eigen ‘groeilijn’ groeien. Die groeilijn is voor een belangrijk deel erfelijk bepaald: kinderen van lange ouders volgen meestal een hogere lijn in de groeicurve en worden langer, kinderen van kleine ouders volgen meestal een lagere lijn en blijven kleiner. Op basis van de ouderlengte kan een zogenaamde ‘doellengte’ worden bepaald, gebaseerd op de lengten van beide ouders. De formule die hierbij hoort is: de lengte van de vader + lengte van de moeder, gedeeld door 2, en dan 11 cm erbij tellen voor jongens en 4 cm eraf halen voor meisjes. In de eerste twee levensjaren kan de ‘groeilijn’ van een gezond kind nog verschuiven, naar een hogere lijn indien beide ouders groot zijn of een van hen erg groot, of juist naar een lagere lijn indien beide ouders klein zijn of een van hen erg klein.

Inhaalgroei na de geboorte

De meeste te klein geboren (SGA) kinderen zullen na de geboorte hun groei versnellen. Door deze inhaalgroei wordt in 90% een normale lengte boven de –2 SDS lijn bereikt. Spontane inhaalgroei vindt meestal plaats tot de leeftijd van twee tot drie jaar. SGA kinderen die zeer prematuur werden geboren kunnen nog inhaalgroei laten zien tot op een leeftijd van vijf jaar.

Groeihormoonbehandeling

Groeihormoonbehandeling van te kleine SGA kinderen geeft een goede versnelling van de groei en is veilig gebleken, ook op de lange termijn. Behandeling met 1 mg groeihormoon/m2 lichaamsoppervlak/dag leidt tot een normale volwassen lengte bij 85% van de SGA kinderen en in 98% tot een volwassen lengte die vergelijkbaar is met de ouders. Een hogere groeihormoondosis is voor de meeste kinderen niet nodig. Groeihormoonbehandeling heeft ook een positief effect op de lichaamssamenstelling, bloeddruk, cholesterolspiegels, en leidt tot een vermindering van probleemgedrag. Nadelige bijwerkingen worden niet gevonden. Indien er suikerziekte voorkomt bij de ouders of broers/zusjes, wordt aangeraden om voor de zekerheid de suikerstofwisseling regelmatig te controleren.

Groeihormoonspiegels

Groeihormoon is een belangrijk hormoon dat er voor zorgt dat kinderen kunnen groeien. Het wordt gemaakt in de zogenaamde hypofyse, een klier onder aan de hersenen. Vanuit de hypofyse wordt regelmatig groeihormoon uitgescheiden in het bloed. In de lever wordt onder invloed van groeihormoon een aantal groeifactoren gemaakt die samen met het groeihormoon de botgroei stimuleren, waardoor het kind groeit. Naast een stimulerende werking op de botgroei, hebben zowel groeihormoon als de groeifactoren een positieve werking op vele andere weefsels en organen.
Tot een aantal jaren geleden werd algemeen aangenomen dat te kleine SGA-kinderen geen tekort aan groeihormoon hadden. Inmiddels is bekend dat ongeveer 20-25% van de te kleine SGA kinderen wel tekenen heeft van een gedeeltelijk tekort aan groeihormoon met een onvoldoende oploop van groeihormoonspiegels in het bloed tijdens groeihormoon-stimulatietests.

Andere effecten

Groeihormoonbehandeling heeft ook een positief effect op de lichaamssamenstelling (meer spierweefsel en minder vet). Er wordt een verlaging van de bloeddruk gevonden en een daling van de totale en LDL-cholesterolspiegels in het bloed.
Voorafgaande aan de groeihormoonbehandeling werd in één van de studies een psychologisch onderzoek verricht. Vrijwel alle kinderen bleken problemen te hebben. Dit uitte zich op verschillende manieren, o.a. door hyperactief gedrag, minder goede schoolresultaten, het hebben van minder vriendjes etc. Na twee jaar groeihormoonbehandeling was er een duidelijke verbetering te zien met vermindering van het probleemgedrag. Er werd na twee en negen jaar behandeling zelfs gevonden dat de kinderen iets beter presteerden op het gebied van rekenkundige tests. Dit laatste wordt op dit moment verder onderzocht.
De ontwikkeling van de groeischijven in de botten (zogenaamde botrijping) wordt niet door groeihormoonbehandeling versneld, dus het heeft geen invloed op het aantal jaren dat een kind nog kan groeien. De behandeling heeft ook geen invloed op de leeftijd waarop de puberteit start en op de ontwikkeling van de puberteit. De totale groei tijdens de puberteit (puberteitsgroeispurt) is vergelijkbaar met leeftijdsgenoten, zowel bij jongens als meisjes.
In geen van de studies werden nadelige bijwerkingen gevonden, ook niet op de lange termijn. Wel werden tijdens de groeihormoonbehandeling hogere insulinespiegels in het bloed gevonden, zoals ook in andere met groeihormoon behandelde kinderen zonder SGA wordt gevonden, maar de glucose(suiker)spiegels bleven volstrekt normaal.

Langetermijneffecten

Na het stoppen van de groeihormoonbehandeling, die gemiddeld tien jaar duurde, bleef de bloeddruk op hetzelfde niveau als tijdens de behandeling, dus lager dan bij de start. Ook de cholesterolspiegels in het bloed, die tijdens de groeihormoonbehandeling waren gedaald, bleven na de stop van groeihormoon op hetzelfde niveau. De insulinespiegels daalden weer naar normale waarden voor de leeftijd, terwijl de glucosespiegels normaal bleven.
Op basis van de positieve bevindingen tijdens de studies, werd groeihormoonbehandeling met 1 mg/m2 lichaamsoppervlak/dag zowel in Europa als in de USA geregistreerd als behandeling van te kleine lengte van SGA kinderen. In Nederland wordt de groeihormoonbehandeling vanaf juni 2005 door de Zorgverzekeraars vergoed, mits wordt voldaan aan de bepaalde voorwaarden (zie onder).

Welke SGA geboren kinderen moeten worden verwezen voor nader onderzoek door een kinderarts?
SGA geboren kinderen die op de leeftijd van twee jaar nog een lengte hebben beneden de –2 SDS lijn en geen tekenen van inhaalgroei meer laten zien, hebben een sterk verhoogde kans op een te kleine volwassen lengte en moeten voor verder onderzoek worden verwezen naar een kinderarts of kinderarts-endocrinoloog (kinderarts gespecialiseerd in groeistoornissen en hormonale problemen).

Welke kinderen komen in aanmerking voor vergoeding van groeihormoonbehandeling? Kinderen met:

  • een geboortelengte < -2 SDS lijn (gecorrigeerd voor de zwangerschapsduur);
  • een lengte < -2,5 SDS lijn, en ten minste 1 SDS onder de doellengte;
  • een leeftijd van 4 jaar en ouder;
  • geen tekenen van inhaalgroei in het voorgaande jaar.

Kinderen met de volgende problemen zijn uitgesloten van groeihormoonbehandeling:

  • lage schildklierhormoonspiegels (hypothyreoìdie) of glutenovergevoeligheid (coeliakie);
  • chromosomale afwijking of syndroom, behalve Silver Russell syndroom;
  • chronische ziekte, kwaadaardige ziekte of hormonale afwijking;
  • medicijnen die invloed hebben op de groei;
  • skeletafwijking;
  • ernstige psychische problemen;
  • groeischijven vrijwel gesloten.

Om in aanmerking te kunnen komen moet een te klein SGA kind worden onderzocht door een kinderarts-endocrinoloog. Alleen die kan groeihormoonbehandeling aanvragen bij de Nederlandse Groeistichting. Als een kind aan alle bovenstaande voorwaarden voldoet zal de Nederlandse Groeistichting een positief advies voor groeihormoonbehandeling sturen naar de Zorgverzekeraar van het kind. Als die ook akkoord gaat, dan kan de groeihormoonbehandeling worden gestart door de kinderarts-endocrinoloog. Tijdens de behandeling moet een kind elke drie maanden door de kinderendocrinoloog, eventueel in samenwerking met de eigen kinderarts, worden onderzocht.

SGA studie

In samenwerking met diverse kinderartsen, wordt er vanuit het Sophia Kinderziekenhuis Rotterdam nog een SGA studie verricht om de effecten van groeihormoonbehandeling op de ontwikkeling van te kleine kinderen te onderzoeken. Alle kinderen worden net als andere te kleine SGA kinderen met groeihormoon behandeld, maar er worden extra tests verricht om de
ontwikkeling te bekijken.

Bron: Kleine Maatjes, artikel door Prof. Dr. A.C.S. Hokken-Koelega, kinderarts, Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam/Sophia Kinderziekenhuis, en directeur Nederlandse Groeistichting

Sporten

Sporten is goed voor kinderen, net zoals buitenspelen en bewegen. En dat geldt ook voor kinderen met een beperking. Dat is goed voor de groei en de ontwikkeling – en voorkomt een van de grootste problemen van deze tijd: te dik worden.

Nu geldt dat te dik zijn vaak niet voor (ex-)prematuren, hoewel er een kans bestaat dat ouders zo veel zorg hebben over de groei van hun kinderen dat ze er te veel instoppen. Niet beseffend dat ze daarmee vaak meer kwaad dan goed doen. Zo zie je overgewicht ook bij ex-prematuren ontstaan.

Maar het probleem met te vroeg geboren kinderen is vaak dat ze zich toch wat ‘anders’ hebben ontwikkeld. Ze zijn houterig. Of kunnen zich moeilijk concentreren. Ze zijn kwetsbaar, gauw verkouden, kortademig en snel ziek. Of ze hebben een handicap.

Er is grote behoefte aan een prettige en stimulerende omgeving waar chronisch zieke kinderen kunnen sporten en revalideren. Dit doen ze natuurlijk het liefst in een sfeer waarbij zij zo min mogelijk worden herinnerd aan hun ziekte. Daarom is Artsen voor Kinderen gestart met FitKids.

Gedrag

Gedragsproblemen

Ouders en leraren zien over het algemeen meer problemen op sociaal en emotioneel gebied bij ex-couveusekinderen dan bij kinderen die op tijd geboren werden. Ze komen vaak pas aan het licht op de basisschoolleeftijd. Ook bij veel prematuren, waarbij het in eerste instantie lijkt dat ze de couveuseperiode zonder veel kleerscheuren doorgekomen zijn, kunnen op de basisschool toch nog problemen aan het licht komen. Problemen die niet vanzelf oplossen, als het kind wat  meer ‘gerijpt’ is, zoals vaak gezegd wordt. Het is daarom belangrijk dat je als ouder aan de belt trekt, als je het vermoeden hebt dat je kind het moeilijk heeft op de basisschool.

Gedrags- en leerproblemen zijn de belangrijkste redenen om een kind door te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Van de POPS-kinderen zit 19% in het speciaal onderwijs.

Bij de meeste van deze kinderen is rond de leeftijd van vijf jaar eerder geen beperking of probleem onderkend. In onderzoek geven zowel ouders als leerkrachten gemiddeld hogere scores voor teruggetrokken gedrag en voor angstig en depressief gedrag aan ex-prematuren dan aan op tijd geboren kinderen. Als ouders gevraagd wordt naar bijzonderheden, of naar datgene waar zij zich het meeste zorgen over maken, antwoorden ze in een aanzienlijk deel van de gevallen dat hun kind niet lekker meekomt op sociaal gebied. Hun kind is verlegen of onzeker, en is vaak op zichzelf. En een deel van de kinderen blijkt vaak bang niet goed genoeg te zijn of iets helemaal niet te kunnen, waardoor bijvoorbeeld weer buikpijn ontstaat bij het idee naar school te moeten. Ook zie je dat kinderen die leerproblemen hebben, ook moeite krijgen met gedrag, mogelijk uit frustratie.

Zorgen bij ouders

Ouders van te vroeg geboren kinderen maken zich gemiddeld dan ook wat meer zorgen over de toekomst van hun kind dan ouders van op tijd geboren kinderen. Natuurlijk gelden de moeilijkheden op sociaal-emotioneel gebied niet voor alle te vroeg geboren kinderen. Maar dat de basisschooljaren vaak niet vanzelf voorbij glijden, staat vast.
Dit alles zijn echter slechts cijfers uit statistieken, maar een statistiek kun je natuurlijk nooit loslaten op een individueel kind. Daarvoor moet individueel onderzoek worden gedaan, bijvoorbeeld door een orthopedagoog.

Op nvo.nl vind je een overzicht van geregistreerde orthopedagogen.

Pesten

Weerbaarheid

Een kind dat ‘anders’ is, loopt meer kans om gepest te worden. Vaak wordt dan gezegd dat je je kind weerbaar moet maken, maar hoe doe je dat?

Een weerbaar kind is in staat om zichzelf te verdedigen, heeft zelfvertrouwen. Als een opdracht moeilijk is, blijft hij naar oplossingen zoeken en hij weet wanneer hij hulp moet vragen. Het ene kind heeft van nature meer zelfvertrouwen dan het andere. Wanneer je de weerbaarheid van een kind wil verbeteren, is het belangrijk om het gevoel van zelfvertrouwen te verbeteren.

Tips:

  • Geef positieve aandacht als je kind iets goeds doet. Probeer niet te veel aandacht te geven aan dingen die minder goed gaan;
  • Laat je kind het zelf proberen, help alleen als het echt nodig is;
  • Geef je kind ruimte een eigen mening te hebben, leer het dat het mag zeggen of hij het ergens mee eens is;
  • Geef zelf het goede voorbeeld: reageer actief op problemen;
  • Los niet altijd de problemen van je kind direct zelf op, geef het tijd en ruimte zelf een oplossing te zoeken;
  • Bespreek een probleem en overleg in stappen hoe je kind het zelf op kan lossen;
  • Oefen ook situaties die voor zouden kunnen komen: wat zou je doen als…?;
  • Leer je kind dat hij hulp mag zoeken: hij hoeft het niet allemaal in zijn eentje te doen;
  • Beloon ook lichaamstaal: een krachtige uitstraling helpt, zegt vaak zelfs nog meer dan woorden;
  • Leer het kind ook een krachtig stemgebruik aan, oefen bijvoorbeeld in duidelijk ‘nee’ zeggen;
  • Soms werkt het als je kind een verdedigingssport leert, of laat het een cursus sociale vaardigheden doen. De schoolbegeleidingsdienst heeft zeker adressen.

Meer informatie: www.pesten.net

Sluiten