Ons telefoon: (070) 38 62 535 Ons e-mailadres: info@care4neo.nl

Thuiskomst

Thuiskomst

Voorbereidingen

In het hele huis zijn de sporen van je kind te vinden: de maxi-cosi , flesjes, voeding, kleertjes, luiers , verzorgingsproducten, knuffeltjes. Het ruikt in huis ook naar baby, dat speciale luchtje van zijn voeding, crème, zeep, en ook: zijn luiers. Kortom, je kind is thuis, en hij woont niet alleen in de babykamer, maar in je hele huis.

Misschien is het bericht dat je baby mee naar huis mag onverwacht gekomen, hoewel je er vanaf de dag van de geboorte naar hebt uitgekeken. En of je kind nu een paar dagen opgenomen is geweest, of een paar maanden, het heeft altijd veel te lang geduurd. Maar nu is het zover. Je baby kan zichzelf op temperatuur houden en groeit en drinkt voldoende, of je kunt je kind ermee helpen en hem zelf verzorgen.

Misschien heb je thuis alles al geregeld en alle benodigde babyspullen in huis gehaald. Maar door al die onverwachte gebeurtenissen is het niet vreemd als je nog niet zover bent. Heel je planning blijkt als los zand aan elkaar te hangen. Maar het is op dat moment onbelangrijk geworden met dit goede nieuws.

Reserveer een plek in huis om je kind te kunnen verzorgen. Dat kan een gewone tafel zijn met desnoods alleen een paar dikke handdoeken erop en alle benodigdheden om je kind in bad te kunnen doen. En natuurlijk de gewone dingen zoals flesvoeding en flesjes als je geen borstvoeding geeft, kleertjes, luiers, doekjes, washandjes en handdoeken, lakentjes en een dekentje.

Vervoer

Om een baby veilig te kunnen vervoeren, heb je een Maxi-Cosi of ander babyautostoeltje nodig. Een baby mag nooit los in een auto worden vervoerd, ook niet in een reiswieg op de achterbank. Zelfs niet als deze vastgezet kan worden: je kind ligt er tenslotte los in.

Als je zelf geen auto hebt, kun je misschien iemand vragen om te rijden om je kindje op te halen. Openbaar vervoer is op dit moment geen optie voor je kindje dat net uit het ziekenhuis komt! Als dat ook niet kan, neem dan een taxi. Je baby, die lange tijd in de couveuse heeft gelegen, is nog te kwetsbaar om met het openbaar vervoer, per fiets of in de draagzak vervoerd te worden.

Dat geldt voorlopig ook nog als je voor polikliniekbezoeken terug moet naar het ziekenhuis.

Nieuwe Europese regels

Voorheen was er sprake van leeftijdsgroepen waarvoor een autostoeltje geschikt was. In de nieuwe Europese wetgeving is er sprake van de lichaamslengte van een kind, ongeacht de leeftijd. Kinderen die kleiner zijn dan 1,35 meter, mogen alleen vervoerd worden in een goedgekeurd autozitje. Dit geldt voor zowel voorin als achterin de auto. Kinderen die groter zijn dan 1,35 meter moeten natuurlijk wel altijd een gordel dragen (net als iedereen trouwens). Als ze het prettig vinden, mogen ze wel een zittingverhoger gebruiken.

Introductie in fases

De introductie van de nieuwe i-Size norm gebeurt in fases: sinds september 2014 geldt het voor baby- & kinderautostoelen. De nieuwe wettelijke normen voor zittingverhogers volgen pas later. Dat is geen probleem, omdat de huidige autostoelen ook veilig zijn. Zij voldoen aan de ECE/R44 norm en deze blijft voorlopig gewoon bestaan.

Het verschil

i-Size stoelen zijn nòg veiliger omdat kinderen langer achterwaarts worden vervoerd; in elk geval tot de leeftijd van 15 maanden. Bij een botsing wordt een kind in het stoeltje gedrukt en zo wordt de klap opgevangen. Dit is extra belangrijk bij de allerjongsten omdat hun nek nog niet stevig genoeg is. Dit type stoeltjes worden ook standaard getest op zijwaartse botsingen. Bij de huidige stoeltjes is dit niet het geval.

Airbags

Je mag kinderen zowel voorin als achterin de auto vervoeren, wel is het veiliger kinderen (baby’s) zo lang mogelijk tegen de rijrichting in te vervoeren. Op een zitplaats met een airbag ervoor mag je een kind niet vervoeren in een autostoeltje dat tegen de rijrichting in staat. Bij een botsing komt een kind levensgevaarlijk in de verdrukking als de airbag door de klap naar voren schiet. Zij-airbags hoef je niet uit te schakelen.

Bron: VeiligheidNL

Wennen

Na thuiskomst maak je je kind voor het eerst dag en nacht mee. Veel ouders moeten eerst nog wennen aan hun baby, vertrouwd raken met de geluidjes en de verschillende manieren van huilen leren herkennen. Ook moet je vertrouwen in je kind ontwikkelen, om het waar mogelijk ‘gewoon’ te behandelen, zonder overbezorgd te zijn. Op zich is het niet ongewoon om overbezorgd te zijn. Jij en je kind hebben veel meegemaakt en het valt echt niet altijd mee om bij een kind dat toch nog extra kwetsbaar en bevattelijk is, alleen maar ‘gewoon’ bezorgd te zijn.

Bedenk dat alles voor je kind ook vreemd is. Nog vreemder dan voor jou: hij heeft zich niet op de thuiskomst kunnen voorbereiden. De hele situatie is anders, de geur, de geluiden, de kleuren, de temperatuur, het licht dat binnenvalt, het ritme.
Voor ouders is het ook wennen: je bent helemaal alleen verantwoordelijk voor je kind. Dat is heerlijk maar het kan zwaar op je drukken. Je bent je er nog meer dan andere ouders van bewust dat je kind nog heel klein en kwetsbaar is. Van de andere kant weet je dat je er vertrouwen in kunt hebben. Als de kinderarts er niet van overtuigd was geweest dat jij en je kind het samen aankonden, dan hadden ze hem niet laten gaan. Al deze gevoelens zijn niet vreemd en komen bij veel ouders voor.
Vergeet vooral niet van je kind te genieten, je kunt op ieder moment van de dag naar hem kijken, met hem knuffelen of buidelen/kangoeroeën als je wilt. Sommige ouders denken dat kangoeroeën alleen in het ziekenhuis mag, maar dat mag thuis natuurlijk ook nog: zolang en zo vaak als je wilt. Je kind is eindelijk thuis, waar het hoort.

Maak van je huis geen ziekenhuis

Weet dat je kind niet voor niets uit het ziekenhuis is gekomen: die speciale zorg heeft hij nu immers niet meer nodig! Heb vertrouwen in je kind en ga af op je eigen intuïtie.

Vraag informatie

Heb je twijfels, vragen of maak je je zorgen, dan kun je altijd terugvallen op het ziekenhuis. Je bent beslist niet de enige die het spannend of misschien wel eng vindt om te gaan slapen, terwijl je het gevoel hebt dat je steeds moet gaan kijken of alles nog wel in orde is.
Het kan heel prettig zijn om van andere ouders, die min of meer hetzelfde hebben meegemaakt, te horen wat zij ervaren of ervaren hebben in die allereerste periode thuis. Misschien ken je nog mensen uit de ziekenhuisperiode en kun je er met hen over praten. Uiteraard kun je altijd bellen met de Vereniging van Ouders van Couveusekinderen.

Daar kun je je verhaal vertellen, je onrust uiten of gewoon wat vragen. Het is handig om lid te worden van de vereniging, dan kun je altijd bij andere ouders terecht met de vraag “hoe hebben jullie dit of dat gedaan?”

Signalen herkennen

Door goed naar je kind te kijken en te luisteren, het tegen je aan te houden en door je reukzintuig te gebruiken, leer je de signalen van je kind kennen en interpreteren. Dat helpt je om passend te reageren. Dit contact vormt de basis van het hechtingsproces.

In het boekje ‘Bonding, over de emotionele band met je baby’ van de schrijfster Jose Sagasser, lees je meer over dit onderwerp (ISBN 90 269 2157 8). (Alleen nog in de bibliotheek of tweedehands verkrijgbaar).

Bron o.a. : Eindelijk thuis, Zita van der Heyden

Contact maken

Contact maken met je kind

Thuis kan de omgang met een kindje dat in de couveuse gelegen heeft moeizamer verlopen dan met een baby die een normale start had. Iedereen zal beamen dat het eerste contact en het opbouwen van een band tussen ouders en couveusekinderen anders is dan die van ouders en op tijd geboren kinderen.

Een nieuw soort contact

Bij kinderen die lang in het ziekenhuis hebben gelegen wordt veel contact in de eerste tijd bepaald door medische of verzorgende handelingen. Bijna altijd gaat het initiatief tot ’contact’ uit van de volwassene, hoewel dat bij de invoering van ontwikkelingsgerichte zorg anders zal verlopen. Meestal gebeuren er allerlei (veelal noodzakelijke) handelingen zonder dat het kind erom vraagt.
Als het kind zelf behoefte heeft aan contact en signalen geeft, volgt daar niet altijd actie op. Een beetje de omgekeerde wereld dus, als je bedenkt dat bij een normale gang van zaken het initiatief tot contact veelal van de pasgeboren baby uitgaat en de moeder direct in de buurt is om antwoord te geven. Een moeder die thuis voor haar kind zorgt, is wel bereid te reageren op de signalen van haar kind. Maar een kind dat na een couveuseperiode thuiskomt, geeft mogelijk zwakkere signalen, of minder vaak, omdat het inmiddels heeft ervaren dat er toch niet op gereageerd wordt.

Respect

Gelukkig wordt er steeds meer aandacht aan dit soort zaken besteed en wordt er meer en meer op gelet welke signalen het (couveuse)kind geeft, juist ook in de couveuseperiode, met de bedoeling daar zo goed mogelijk op in te spelen. Het gaat bijvoorbeeld om het respecteren van rustperioden van het kind, van het ook aanbieden van positieve contacten zoals troosten, praten, strelen e.d. Niettemin blijft de couveuseperiode een voor het kind vaak onaangename periode.

Bijkomen

Wanneer je kindje eenmaal thuis is, zal het uiteraard bij moeten komen van de periode die hij in het ziekenhuis heeft doorgemaakt. Uit de manier waarop hij zich gedraagt, blijkt meestal wat hij wil. Om zich prettig te voelen, zal hij op deze wijze vragen om een bepaalde benadering, om een bepaalde manier van aanpak. Iedere baby zal dit op zijn eigen manier doen.

Wat kun je zelf doen?

Omdat te vroeg geboren baby’s in de eerste maanden vaak nog zo schrikachtig en onrustig zijn, is het verstandig om ze niet te veel te prikkelen. Aan de andere kant is het wel goed om ze te stimuleren door tegen ze te praten of met ze te spelen. Door goed naar een kind te kijken, kun je zien wanneer het aan contact toe is en wanneer het beter met rust kan worden gelaten.

Ouders kunnen het best contact maken als het kind:

  • ontspannen is
  • de armen en benen gebogen zijn
  • rustig en alert is
  • (kortdurend) oogcontact maakt
  • glimlacht, mondbewegingen maakt of een ‘ooh’ gezicht trekt
  • de hand naar de mond brengt
  • een goede kleur heeft, dus een beetje roze is en niet heel bleek, rood of grauw

Ouders kunnen het kind soms beter met rust laten als het:

  • de blik afwendt
  • gaapt
  • het hoofd achterover gooit of zich overstrekt
  • kokhalst, kreunt, boert of hikt
  • begint te huilen
  • een grauwe kleur heeft
  • de vingers of tenen spreidt of kronkelende bewegingen maakt.

Thuismonitor

Soms ‘vergeet’ een kindje te ademen en krijgt het een apneu, een (korte) ademstilstand. Als reactie daarop kan de hartslag dalen. Dat heet een bradycardie. Apneus en bradycardieën, de zogenaamde A’s en B’s of dips, zijn een ‘normaal’ verschijnsel bij te vroeg geboren kinderen, maar meestal mogen ze niet naar huis zolang ze hier nog last van hebben.

In het ziekenhuis houdt de apparatuur de ademhaling en hartslag goed in de gaten en in de meeste gevallen hoeft de verpleging uw kind alleen aan te tikken om de ademhaling weer op gang te helpen. A’s en B’s hebben geen gevolgen zolang ze niet te vaak en niet te lang optreden. Meestal helpt coffeïne om de ademhaling te stimuleren, totdat de apneus en brady’s geleidelijk minder worden.

Kinderen die heel langdurig een onrijp adempatroon behouden, die veel langer dan normaal apneu-aanvallen en bradycardieën hebben, mogen soms naar huis gaan met een monitor als de ouders dat aankunnen. Op zich is dit in het geheel geen aantrekkelijk idee, maar het alternatief is meestal dat het kind nog heel lang opgenomen moet blijven.

Vooronderzoek

Er zal pas nagedacht worden over de mogelijkheden om je kind naar huis te laten gaan met een monitor wanneer duidelijk is wát de oorzaak van de apneu-aanvallen is, hoe deze zich voordoen en hoe deze onder controle te houden zijn. Bovendien gebeurt het alleen in goed overleg met de ouders van het kind.
Een monitor die de ademhaling en/of de hartslag registreert en die bij bepaalde afwijkingen alarmeert, is te huur bij verschillende firma’s voor medische apparaten. Voor de vergoeding van de kosten moet tevoren een vergunning aangevraagd worden bij de zorgverzekeraar.

Goede voorlichting

Het kan een heel veilig idee zijn om thuis een monitor te hebben wanneer een kind nog niet ‘apneu-vrij’ is. Maar zo’n monitor heeft ook wel nadelen. Net zoals dat in het ziekenhuis gebeurt, kunnen er valse alarmen zijn die dan niets ernstigs blijken te betekenen. Ouders kunnen behoorlijk van slag raken door zo’n alarm, zeker wanneer het regelmatig afgaat.

Laat je goed voorlichten over de precieze werking van het apparaat, wat een bepaald alarm betekent en wat je moet doen als er een alarm is. Vanzelfsprekend is een goede begeleiding en controle door het ziekenhuis, de huisarts en de wijkverpleegkundige belangrijk. Vraag ook wat je moet doen wanneer er echt een ernstige situatie ontstaat. Voor dit doel geven verschillende afdelingen een reanimatie-cursus aan ouders en hebben zij ook speciale schriftelijke instructies.

Wel of geen monitor (meer)?

Zoals je er heel erg tegenop kunt zien om thuis een monitor te hebben, zo is het ook moeilijk om het tijdstip te bepalen waarop de bewaking hiermee gestopt kan worden. Het kan moeilijk zijn om het tijdstip te bepalen waarop de bewaking thuis gestopt kan worden. Tevoren kan daar meestal niet veel zinnigs over gezegd worden. Je kunt er ook heel erg tegen op zien om thuis een monitor te hebben. Het is ook geen kleinigheid! Hoe graag je je kind ook thuis hebt, maak je zorgen bespreekbaar met de arts en verpleging. Het is geen schande als je het niet aandurft!

Wat kun je doen als je kind nog last van apneus heeft, ook al is het maar heel af en toe? Zorg dat er niemand rookt in de nabijheid van je kind en zorg dat je kind ook niet in ruimtes komt waar gerookt is. Rook prikkelt het neus- en keelslijmvlies. Daardoor zwelt dat eerder op en krijgt je kind eerder last van apneus.

Maak je je zorgen, overleg dan met de huisarts. Apneu is niet het eerste waar veel huisartsen aan denken. Denk je zelf dat je kind een apneu heeft, dan kun je dat gewoon zeggen. Denk je dat je baby mogelijk vergrote amandelen heeft? Overleg dan met je huisarts of een verwijzing naar een kno-arts nodig is.

Sonde

Het kan zijn dat je kind nog niet zelf kan drinken en naar huis gaan met een sonde. Dan krijgt het kind (een deel van) de voeding via de sonde, meestal met een spuitje. De voeding kan afgekolfde borstvoeding zijn, soms met een aanvulling van voedingsstoffen, maar het kan ook speciale voeding zijn of kunstvoeding.

Vanuit het ziekenhuis krijg je alle informatie over hoe je de sondevoeding moet geven, hoe je de sonde moet verzorgen, waar je de sonde-benodigheden bestelt, etc.etc. Soms leren ouders ook zelf een nieuwe sonde inbrengen, een secuur werkje waarbij je erg hygiënisch te werk moet gaan.

Voor ouders van kinderen die langdurig zijn aangewezen op sondevoeding is er een eigen vereniging met veel informatie, de vereniging Nee-eten.

Stoma

Als je kind een NEC heeft doorgemaakt en daaraan geopereerd is, heeft het mogelijk nog een stoma.

Later, als de darmen weer tot rust zijn gekomen, volgt vaak een hersteloperatie. In het ziekenhuis leren ouders hoe ze met de stoma moeten omgaan en hoe ze hun kind kunnen verzorgen.

Het verzorgen van een kind met een stoma moet je niet onderschatten. Hoe dat moet, leer je in het ziekenhuis, maar toch vergt het soms veel van de ouders en bovendien wil je je kind ook graag als een ‘gewoon’ kind zien, niet alleen maar als een patiëntje.

Zuurstof

Als je kind BPD heeft of een CLD (Chronische Longziekte) heeft het mogelijk nog extra zuurstof nodig. Ook dat is niet makkelijk voor ouders: je kind heeft veel extra zorg nodig en dat moet je niet onderschatten. De meeste kinderen met BPD hebben lang in het ziekenhuis gelegen.

Thuis krijg je je handen vol aan de zorgen betreffende de ademhaling, het voeden, het geven van medicijnen, het behandelen van infecties, het steeds weer naar artsen gaan voor controles enzovoort. Het omgaan met een kind waarover je zo veel zorgen hebt en dat dan mogelijk ook een achterstand in ontwikkeling heeft moet je niet onderschatten.

Het is heel belangrijk dat je in het ziekenhuis al leert hoe met zuurstof om te gaan. Vaak is het mogelijk om op de afdeling ervaring op te doen, bijvoorbeeld in een apart kamertje of door eens met je kind in een kinderwagen waarop een kleine zuurstofcilinder gemonteerd is, door het ziekenhuis te wandelen. Op dat moment ben je al behoorlijk ervaren en weet je hoe je een tekort aan zuurstof bij je kind kunt opmerken, aan de kleur, het gedrag en dergelijke.
Zorg ervoor dat je goede en voldoende instructies krijgt over het gebruik van zuurstof, eventueel over het geven van de medicijnen, over de voeding en over alle andere dingen waarop gelet moet worden. Bedenk van tevoren goed wat je allemaal wilt weten en schrijf die dingen op zodat je niets vergeet. Omdat je alles niet in een keer kunt onthouden is regelmatig overleg voor het ontslag met de kinderarts en de verpleegkundigen belangrijk.
Naast beide ouders adviseren de meeste ziekenhuizen hierbij ‘een derde’ te betrekken (grootouder, zus, vriend) zodat er mogelijkheden zijn om af en toe iemand te laten oppassen.

In de praktijk blijkt soms dat je huisarts en de wijkverpleegkundige nauwelijks op de hoogte zijn van de problemen die bij een kind met BPD spelen, omdat ze er geen ervaring mee hebben. Het is daarom van belang hen er vanaf het begin zo veel mogelijk bij te betrekken en om zeker vóór het ontslag een gesprek te (laten) organiseren met al diegenen die bij de zorg voor je kind betrokken zijn of zullen zijn, zoals: de kinderarts, een verpleegkundige van de afdeling, de maatschappelijk werker, de huisarts, de wijkverpleegkundige en de fysiotherapeut. Mogelijk kan de huisarts voor het ontslag naar huis het kind een keer samen met de kinderarts(-neonatoloog) onderzoeken, zodat hij het beeld ziet dat in het ziekenhuis geaccepteerd wordt als voldoende.

Heel nuttig kan het zijn om voor een kortdurend proefontslag te kiezen: een dag of een weekend. Je kunt dan vast wat wennen en toch nog nauw overleg hebben met de afdeling.

Vatbaarheid

Veel couveusekinderen zijn extra vatbaar. Ze zullen misschien niet váker een verkoudheid of een ander virusje oplopen, maar ze zijn er wel zieker van. Dat geldt vooral voor kinderen die geboren zijn met onrijpe longen. Is een kind normaal gesproken verkouden en snotterig van een virusje, bij couveusekinderen wordt het sneller een bronchitis of longontsteking. Advies is dan ook om je sneller bij de dokter te melden, niet te lang mee rondlopen. En ja, dan krijgt je kind mogelijk (weer) antibiotica.

Antibiotica hebben tegenwoordig bij ouders (en ook bij artsen) een slechte naam, maar realiseer je dat jouw kind het soms nodig heeft!

GBS, Groep B-Streptokokken bacterie

Een infectie waar veel ouders bang voor zijn, is de zogenaamde GBS-infectie, genoemd naar de veroorzaker, de Groep B-Streptokokkenbacterie. Deze bacterie komt veel voor in de darmen van volwassenen en vrijwel niemand wordt er ziek van. Maar voor pasgeborenen is hij wel gevaarlijk. Zij kunnen de bacterie oplopen tijdens de zwangerschap of tijdens de geboorte en in zeldzame gevallen ook nog daarna, tot ongeveer twaalf weken. In dat geval wordt het via de handen van volwassenen overgedragen. Daarna komt het als ziekte niet meer voor. Wil je meer weten, kijk dan op de website www.ogbs.nl

RS-Virus

Mogelijk nog banger zijn ouders voor het RS-virus, het Respiratoir Syncytieel Virus. Dit is een van de belangrijkste virussen die een verkoudheid (luchtweginfectie) veroorzaakt, zowel bij kinderen als bij volwassenen. Kinderen in Nederland hebben als ze drie jaar zijn allemaal ten minste één RS-virusinfectie doorgemaakt. Normaal levert dat geen problemen op. Na iedere infectie zijn er meer antistoffen aangemaakt en is iemand beter bestand tegen de volgende.

Maar bij kwetsbare kinderen kunnen de problemen groter zijn, vooral bij kinderen die al ‘bewezen’ longproblemen hebben. Dat zijn vrijwel alle kinderen die geboren zijn met onrijpe longen, en in het bijzonder de kinderen die daarna BPD/CLD (Broncho Pulmonale Dysplasie/Chronische Longziekte) hebben ontwikkeld.

Een RS-virusinfectie begint met een neusverkoudheid, daarna volgt hoesten, maar de koorts is meestal niet hoog. Kinderen kunnen er wel benauwd en kortademig door worden. De kleine luchtwegen (de bronchiën) kunnen worden aangetast (bronchitis) of de longen (longontsteking). Het komt voor dat een kind vanwege die ademnood opnieuw wordt opgenomen in het ziekenhuis. Dit zijn meestal kinderen uit de eerder genoemde kwetsbare groepen. Soms komt het kind zelfs op de intensive care aan de beademing.
In het ziekenhuis kan het virus zelf niet worden bestreden, maar wel de benauwdheid. Na een paar dagen knapt het kind op en meestal is hij een week later weer thuis, maar hij blijft vaak nog wel een tijdje hoesten en is soms wat kortademig.

Kinderen uit de risicogroepen kunnen tegenwoordig in het RSV-seizoen – van oktober tot april – worden ingeënt tegen dit virus. Daarbij krijgen ze antistoffen ingespoten, maar ook dit middel beschermt niet optimaal. Het kan er wel voor zorgen dat de infectie minder heftig verloopt. De kosten van deze inenting kunnen oplopen tot rond de vierduizend euro per seizoen per kind en worden voor kinderen uit de risicogroepen vergoed door de basisverzekering. Vooraf is toestemming nodig van de zorgverzekeraar.

Liesbreuk/navelbreuk

Navelbreuk

Een navelbreuk kan voorkomen bij alle pasgeborenen, maar prematuren zijn er extra gevoelig voor. De navel puilt dan naar buiten. Je hoeft je geen zorgen te maken, je hoeft het niet naar binnen te drukken, je hoeft er niks aan te doen. Het komt na verloop van tijd altijd weer goed.

Liesbreuk

Een liesbreuk is wat anders. Het kind heeft dan een bult in de lies, die je voorzichtig naar binnen kunt drukken of masseren. Daarmee is de pijn ook weer weg. Belangrijk, want een liesbreuk kan pijnlijk zijn. Maar wegdrukken is slechts een tijdelijke oplossing. Als je kindje gaat persen, bijvoorbeeld om zijn ontlasting kwijt te kunnen, of huilt of zich kwaad maakt, komt het terug.

Uiteindelijk moet je kindje er aan geopereerd worden. Ga er dus altijd mee naar de dokter.

Slapen

Misschien heb je een wiegje voor je kind of een ledikantje. Vooral die laatste kunnen erg groot zijn. Het is prettig als je een begrenzing voor je kind kunt maken, zeker als hij nog erg klein is en zijn bedje groot. Rolletjes worden afgeraden omdat die de kans op verstikking vergroten, maar stevig instoppen geeft ook het gevoel van geborgenheid. Gebruik in het bedje geen zacht materiaal omdat dat de ademhaling kan belemmeren. Veel kinderen vinden het prettig om iets onder hun voetjes te voelen, maar een kussen aan het voeteneinde wordt afgeraden. Het is beter om het bedje ‘laag’ op te maken, zodat de voetjes tegen de onderzijde van het bedje aankomen.Gebruik geen dekbedje, maar gewoon een lakentje en een dekentje.

Doe je kind ook geen mutsje op in bed: juist met zijn hoofd reguleert een kind de warmte. Als je kind net thuis is, is 20 graden omgevingstemperatuur prima, later kun je dat een beetje afbouwen.

Er zijn producten in de handel die volgens de fabrikant ervoor zouden zorgen dat je kind veiliger slaapt. Zoals hulpmiddelen die moeten voorkomen dat je kind omrolt, of matjes die de kans op wiegendood zouden verkleinen. Vaak zijn deze claims niet betrouwbaar en bereik je er slechts een schijnveiligheid mee. Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid heeft een uitgebreid overzicht van veilige en onveilige producten.

Algemene informatie over veilig slapen vind je op de website van Consument en Veiligheid.

Geluid

Je kind is gewend aan geluid en beweging om zich heen. In een ziekenhuis is het nooit rustig, hoewel dat tegenwoordig wel wordt nagestreefd. Het kan gebeuren dat je kind thuis minder goed slaapt, juist omdat het stil is. Het kan hem helpen als hij stemmen en geluiden hoort. Er zijn mensen die de radio aanzetten of zelfs de stofzuiger (eentonig geluid). Aan de andere kant kunnen juist couveusekinderen snel overprikkeld raken en is geluid een trigger om te gaan huilen. Het is een kwestie van zelf uitproberen waar je kindje het beste op reageert. Ga bijvoorbeeld niet stofzuigen in de babykamer als je baby slaapt, maar eventueel wel in de kamer ernaast. Zo went hij aan de geluiden die in huis regelmatig voorkomen.

‘s Nachts

In het ziekenhuis wordt geprobeerd een kind een dag- en nachtritme aan te leren, door het
‘s nachts donker te laten zijn en door een voeding over te slaan. Vaak zonder succes: de overgang naar huis is voor het kind zo groot dat het ‘s nachts toch weer een voeding wil hebben. Laat je niet ontmoedigen: jullie hebben al zoveel meegemaakt, geef je kindje die voeding en stel hem daarmee gerust en laat hem zien dat je er voor hem bent. Het maakt jullie allebei rustiger en tevredener. Soms vinden kinderen het ook prettig als er een lichtje brandt: in het ziekenhuis was het zelden helemaal donker. Leg hem niet te slapen in jullie eigen bed, in tegenstelling tot wat een aantal jaren geleden gedacht werd, vergroot het de kans op wiegendood (door te veel warmte, te veel kussens en het dekbed).

Overdag

Zo’n klein en jong kind slaapt natuurlijk niet alleen ‘s nachts, maar ook overdag meestal nog heel veel. In het ziekenhuis heb je waarschijnlijk al geleerd op te letten hoe je kind aangeeft dat hij moe is: hij kijkt weg, gaapt, jengelt, overstrekt zich, gaat kokhalzen, boeren, kreunen, hikken of begint te huilen, je kindje kan ook een grauwe kleur krijgen, gaan kronkelen of bijvoorbeeld vingers of tenen spreiden. Natuurlijk hoeft je kindje dit niet allemaal te doen en sommige kinderen geven maar heel kleine signalen die moeilijk op te pakken zijn.

Maar het geeft wel aan dat je kind rust nodig heeft en dat je hem het beste in zijn bedje kunt leggen. Als je het moeilijk vind je kind alleen te laten kun je hem natuurlijk ook in de wandelwagen leggen in de kamer waar jij bent, of een slaapplekje maken in de box, daar is niets op tegen. En, je kind te slapen leggen in een draagdoek, of al kangoeroeënd tegen je aan laten slapen is ook prima. Ook al is je kindje thuis, kangoeroeën blijft heerlijk en goed voor de binding!

Als je je kindje in een draagdoek legt, zijn er een paar dingen waar je op moet letten. Zo moet je baby zo liggen dat het kinnetje niet helemaal tegen het borstje aan ligt. Dat kan bij kleine baby`s en bij prematuren namelijk problemen geven, omdat zij nog niet sterk genoeg zijn om hun hoofdje weg te draaien wanneer er een belemmering in de luchtstroom zou zijn. Daarnaast moet je erop letten dat het hoofdje hoger ligt dan het lijfje.

Slaaphouding

Je weet vast dat een kind op zijn rug moet slapen. Dat kan een probleem zijn. In de couveuse worden kinderen vaak op hun buik gelegd, dat is zelfs beter in verband met de ademhaling. Je kind loopt er daar geen risico’s mee: het ligt aan de monitor. Maar voor thuis is het algemene advies eenduidig en duidelijk: leg het kind op zijn rug te slapen. Niet op zijn zij, en ook niet op zijn buik. Ook niet voor een keertje. Soms kan er een medische reden zijn om van dit advies af te wijken, daar adviseert de kinderarts over. Als je kind wakker is en je bent erbij, is het voor de ontwikkeling van zijn spieren, maar ook zijn mentale ontwikkeling natuurlijk wel heel goed om hem af en toe op zijn buik te laten spelen.

Nachtbraken

Eenmaal thuis kan het een tijdje duren voordat je kind echt rustig doorslaapt. Ook al zul je er zelf behoorlijk moe van worden, ga zo rustig mogelijk met je kind om en probeer het nachtbraken zoveel tussen jou en je partner te verdelen. Dan nóg zal er misschien een moment komen dat je echt alle tips en suggesties van vrienden en familie, huisarts en consultatiebureau hebt afgewerkt.

Ook al weet je dat je kindje het allemaal nog moet leren, ook al kun je je voorstellen waarom hij geen verschil kent tussen dag en nacht, bijna niemand zal het volhouden om iedere nacht te weinig aan slaap toe te komen. Zeker niet als dat heel lang gaat duren en je kindje zich iedere nacht door langdurig huilen kenbaar maakt.

Geef je kind gerust ’s nachts wat extra voeding. Wat meer drinken is beter dan urenlang gehuil. Misschien helpt een klein nachtlampje of wil hij gewoon heel dichtbij je zijn en kun je zijn bedje naast het jouwe zetten. Het kan heel goed mogelijk zijn dat je kind er grote behoefte aan heeft om je te voelen, te weten dat je er echt bent. Toch is het niet veilig om je kind bij je in bed te laten slapen: het is te warm onder het dekbed en als hij eronder terecht komt, heeft hij geen mogelijkheid zijn lichaamswarmte goed te reguleren. Ook gebruik je zelf een kussen, wat je kindje zou kunnen verstikken. Slaapproblemen gaan echt eens over, hoe ongeloofwaardig dat ook klinkt voor wie er middenin zit. Bent je echt aan het eind van je latijn, vraag dan of je kind eens een nachtje bij oma of een vriendin kan slapen, zodat je zelf een beetje op adem kunt komen.

Huilen

De tijd op de neonatologie-afdeling is geen pretje geweest voor een pasgeboren kind. Er is veel geprikt, er zijn slangetjes ingebracht, het kind heeft pijn gehad en er was vaak veel licht en herrie op tijden dat het kind wilde slapen, ondanks alle goede bedoelingen van de verzorgers. Dat staat in groot contrast met de maanden die de baby net gewichtloos had doorgebracht in een warme, stille, donkere baarmoeder.

Daar komt bij dat op tijd geboren baby’s goed kunnen aangeven als ze pijn hebben of iets vervelend vinden: die zetten een keel op en maaien met de armen en benen. Te vroeg geboren baby’s zijn daar meestal te zwak voor en door alle slangen kunnen ze minder goed bewegen of geluid maken.

De vervelende tijd in het ziekenhuis heeft zijn weerslag op het gedrag van te vroeg geboren kinderen. Eenmaal thuis huilen ze vaak meer en schrikken ze sneller dan op tijd geboren kinderen. Vaak hebben ze de neiging om rug, armen en benen te veel te strekken en het hoofd naar achteren te duwen. Juist van dat overstrekken worden kinderen heel onrustig en ze drinken er vaak slechter door. Daarnaast hebben de kinderen meestal nog geen goed dag/nacht-ritme als ze thuis komen uit het ziekenhuis. Dat komt niet alleen doordat het zenuwstelsel nog niet rijp is, maar ook doordat ze in het ziekenhuis vaak gestoord werden in hun slaap, ook ‘s nachts. En ook doordat hun zenuwstelsel nog niet rijp is.

Voor ouders is het belangrijk om erop te letten dat ze zelf niet doordraaien. Zeker in het begin wordt er voortdurend een beroep op hen gedaan. Te vroeg geboren baby’s huilen over het algemeen het eerste half jaar thuis veel langer. Het huilen klinkt hoger en klaaglijker. Dat geeft ouders eerder het gevoel dat er iets aan de hand is. Ze kunnen er bovendien geïrriteerd door raken, hoeveel ze ook van hun kind houden.

Huildagboek

Om niet in een vicieuze cirkel terecht te komen – zelf steeds vermoeider raken, prikkelbaarder worden en minder kunnen verdragen, waardoor het kind nog meer gaat huilen – is het verstandig om praktische oplossingen te verzinnen. Af en toe een nacht apart slapen, overdag proberen bij te slapen en als het kan een keer een oppas vragen. Als ouders het idee krijgen dat ze het huilen niet meer kunnen verdragen, kan het helpen om een huildagboek bij te houden. Daarin kan per uur genoteerd worden of een kind slaapt, huilt, eet of gewoon wakker is.

Patroon

Na een paar dagen wordt meestal een patroon zichtbaar. Misschien blijkt dan dat een kind altijd een vast huiluurtje heeft, of bijvoorbeeld altijd na de voeding huilt. Weten hoe het patroon is, kan al wat draaglijker maken. Ook kunnen ouders proberen bezigheden te verzinnen voor die moeilijke uren: in bad doen, ronddragen in een draagzak of met de baby op de bank gaan liggen bijvoorbeeld.

Huilbaby

Kinderen die een moeilijke start hebben gehad, zijn vaak prikkelbaar. En prikkelbare kinderen worden soms huilbaby’s. De definitie van een huilbaby is een baby die meer dan drie uur huilt op ten minste drie dagen per week en dat drie weken achter elkaar. Vaak slapen ze maar kort en drinken ze onregelmatig en kleine beetjes. Ze kunnen soms niet tot rust komen, maaien met armpjes en beentjes, maken zich heel boos, zijn ontroostbaar. Daardoor raakt het kind oververmoeid, en de ouders ook door doorwaakte nachten. Een vicieuze cirkel die moeilijk is te doorbreken.

Medische oorzaak

Vaak is er geen medische oorzaak te vinden, maar er moet wel naar gezocht worden. Oorzaken kunnen zijn: darmkramp, verkoudheid of koorts, pijn door een liesbreuk of een allergie, maar het kan ook zijn dat zaken als angst om weer van de ouders gescheiden te worden of de stress tijdens de couveuseperiode een rol spelen.

Rust en regelmaat

Goede raad van vroeger: rust en regelmaat helpen vaak. Rust niet alleen in de zin van geluid maar ook rust in je hoofd, door je kind te verzorgen met kalme gebaren en het niet veel prikkels bieden. Het kind moet als het ware weten wat er gebeurt, je brengt regelmaat aan door je gedrag voorspelbaar te laten zijn. Doe dus steeds alles in dezelfde volgorde, eerst voeden, dan verschonen bijvoorbeeld en dat verschonen ook in dezelfde volgorde. Ook niet te lang doorgaan met voeden. Korte speelmomenten, want spelen maakt je kind ook erg moe. En steeds dezelfde – voorspelbare – spelletjes. En vooral: laat je kind niet huilen, hij kan zichzelf blijkbaar niet troosten en heeft jou nodig.

Troosten

Troosten, je kind laten voelen dat je hem begrijpt en in zijn behoeften voorziet. Daarmee verwen je hem niet, je helpt je kind zich veilig te voelen.
En voor jezelf: zoek steun om de intensieve zorg voor je baby vol te houden, zoek iemand die je begrijpt en die ook praktisch gezien de zorg even over kan nemen, zodat je een blokje om kunt of even een boodschap kunt doen. Misschien kun je samen zoeken naar oorzaken van het huilen en wat de beste aanpak is. Het is ook fijn als jij misschien eens een nachtje ergens anders kunt slapen, terwijl thuis een vertrouwd iemand voor je kind zorgt. Liever niet andersom, omdat dat de regelmaat bij het kind doorbreekt. Je kunt ook kijken op deze website, over huilbaby’s.

Koffertje

Bij de thuiszorg is een koffertje te huur met allerlei tips en hulpmiddelen voor huilbaby’s, die je rustig thuis kunt uitproberen. Een tip: als je iets nieuws probeert, doe dat dan een paar dagen achter elkaar, probeer niet alles tegelijk. Bij de thuiszorg kun je ook informatie krijgen over inbakeren, dat is méér dan je kind strak in een doek rollen.

Gespecialiseerde gezinshulp

Er zijn kinderen waarbij dit allemaal niet helpt. Soms wordt een kind een paar dagen in het ziekenhuis opgenomen, om lichamelijke oorzaken uit te sluiten, maar ook om jullie de gelegenheid te geven even tot rust te komen en de vicieuze cirkel te doorbreken. De andere omgeving en het strakke dagritme van het ziekenhuis kunnen de situatie al een hoop veranderen. Wanneer de problemen blijven bestaan, kan gespecialiseerde gezinshulp ingeschakeld worden. De huisarts weet daar meer over.

Sluiten